Week 22 -2008
Ze huilde toen ze belde. Marion was niet thuis en dus luisterde ik. Het ging niet goed met W. Vlak achter elkaar hadden Marion's zus en haar één jaar oudere nicht gehoord dat ze borstkanker hadden. Behalve verdriet had het een soort troost gegeven, alsof ze er niet alleen voor stonden. Ongeveer tegelijkertijd hadden ze de behandeling ondergaan, ervaringen uitgewisseld en vervolgens nieuwe plannen gemaakt. Maar bij W was het al binnen twee jaar uitgezaaid. Nu had ze er ook nog een onbeheersbare longontsteking bij gekregen. De weekendarts in het ziekenhuis had gezegd dat W zich op de dood moest voorbereiden. Familieleden in Bangladesh, New York en Spanje waren gebeld en onderweg.
"Ze zat altijd met alles precies een jaar voor me," zegt Marion's zus. "Toen ik voor mijn eindexamen zat stuurde ze me de uittreksels van de boeken die zij een jaar daarvoor had moeten lezen."
Ik luister, maar weet niet wat ik moet zeggen. Je begrijpt elkaar en wilt helpen, maar soms is het gewoon afgelopen. Bovendien besef ik dondersgoed dat een bepaald percentage mensen er aan dood moet gaan en heel stiekem diep van binnen ben ik blij dat iemand anders deze keer aan de beurt is en niet ik. Zelf mag ik terug naar de wachtkamer.
"W wil jullie ook nog graag zien," zegt ze.
In Marion's cabrio rijden we naar Brabant. Dak open. Het voelt niet helemaal goed, dat wij nog van zoiets onnozels als een open dak en muziek van toen we zestien waren genieten, terwijl W's dagen geteld zijn. Kun je op die manier wel de parkeerplaats van het ziekenhuis oprijden? Is het niet gepaster vijfhonderd meter voor je er bent even aan de kant van de weg te stoppen om het dak te sluiten?
W gaat echter nog niet dood. Toen haar eigen arts na een lang weekend terug was concludeerde hij iets heel anders dan zijn weekendcollega. De longontsteking is er alleen maar zo moeilijk onder te krijgen omdat W vanwege een andere ziekte prednison gebruikt. Nee, ze moet gewoon haar antibiotica blijven slikken en doorvechten. Het is nog niet afgelopen. Waar leven is, is hoop. De verbijsterde familie had zich net ingesteld op het onvermijdelijke en moet weer omschakelen. Men is zowel blij als boos. W is door het nieuws echter helemaal opgeleefd.
In de kamer waar ze ligt heerst een enigszins eufore stemming. We drukken kussen tussen de slangen, die haar verbinden met de techniek die haar in leven houdt. Marion geeft gebedsdoekjes uit Tibet. Met haar nicht haalt ze herinneringen op aan de zomers dat ze bij elkaar logeerden. Even worden ze weer meisjes als ze praten over hoe lang de rokken moesten zijn en hoe kort ze ze wilden.
De familieleden zijn in korte tijd vertrouwd geraakt met de termen die W's leven beheersen. Ze spreken over de morfinepomp en de bolussen die bij erger wordende pijn noodzakelijk zijn om het leven draagbaar te houden, alsof het om koffiefilters en groene zeep gaat. Ook overwegen ze of ze iets moeten doen tegen de weekendarts die zo onnodig en ongevraagd voor een generale repetitie van wat onvermijdelijk is heeft gezorgd.
"Laten we onze energie voorlopig maar op positievere dingen richten," zegt één van hen.
"Ik wil als de koorts weg is naar huis toe," zegt W. "Dat is nu mijn eerste doel."
Er blijkt nog veel af te maken. Het dossier van het vluchtelingenwerk in haar gemeente ligt bij haar thuis en moet nog goed geordend worden.
"Ze heeft ook een heel archief over jullie," zegt haar man.
"Ja," beaamt W. "Ik heb altijd alles over jullie uitgeknipt. Wat ik maar tegenkwam. De krant, de Margriet."
Ik voel me beschaamd omdat ik relatief weinig over W weet. Marion heeft wel vaak over haar verteld, maar werkelijke ontmoetingen beperkten zich tot gelegenheden waar een vijftigjarig huwelijk of een tachtigste verjaardag gevierd werd en wanneer er iemand begraven werd. Hoe kunnen we in de tijd die ons nog rest de gemiste momenten nog inhalen?
"Als W weer thuis is, moeten jullie eens langs komen," stelt haar echtgenoot voor. "Dan kun je het allemaal zien."
"Ja," zegt Marion enthousiast.
Snel overweeg ik welke boeken we haar kunnen sturen. Dun, luchtig, korte hoofdstukken zodat het gemakkelijk weg te leggen is. Maar er bestaan geen boeken meer die nog troost bieden. Bovendien valt W regelmatig in slaap door de grote hoeveelheden morfine die ze krijgt. Lezen is vrijwel onmogelijk geworden.
"Stuur dan de trailer van je film," zeg ik.
"Ja, maar hoe moet W die bekijken in het ziekenhuis?" vraagt Marion, die zich schaamt over mijn voorstel. Alsof ze zichzelf in de schijnwerpers zou willen plaatsen.
"Geef haar dan ook die dvd-speler met scherm, die we nooit gebruiken," dring ik aan. Als een volwassene die een kind wil opmonteren, om zelf vooral niet het gevoel te hebben tekort te schieten, zoek ik naar een mogelijkheid W te troosten, om iets goed te maken van het onrecht dat haar door die belachelijke ontspoorde cellen wordt aangedaan.
W krijgt ineens weer pijn. De broeder wordt gewaarschuwd om een nieuwe bolus toe te dienen. We begrijpen dat het tijd is om afscheid te nemen.
W's eenentachtigjarige moeder zegt als we vertrekken: "Het komt allemaal weer goed."
Juist als ik dit stuk geschreven heb belt Marion's zus snikkend op. Ze hoeft niets uit te leggen. Het dossier vluchtelingen werk Oss wordt nooit geordend.



Terug