Week 23 -2008
"Heb je het gevoel dat iets je op de hielen zit?" vraagt de fysiotherapeut terwijl hij mijn hak masseert.
Geneeskunde aan de hand van het Nederlands spreekwoordenboek. Geen anatomie meer nodig. Kennis van bot en spier overbodig. Natuurlijk, het is vervelend dat die hielspoor maar niet verbetert, maar om nu te denken dat het dus tussen mijn oren zit, is wat te simpel. De onderzijde van mijn voet doet pijn en ik kan er niet meer behoorlijk door lopen. Zeker niet sinds hij een experiment met een zooltje heeft gedaan. "Misschien helpt dat," had hij gezegd. Het was of mijn voeten door midden braken. De volgende dag durfde ik mijn rechterbeen niet meer te verplaatsen, bang dat mijn hak de grond raakte en de pijn mijn lichaam door zou schieten.
Wat wil hij dat ik op zijn vraag antwoord?
Het is waar. Vanzelf komen de hinderlijke gedachten bij me boven als ik de pijn gewaar word. Zes jaar geleden zou ik ervan overtuigd zijn dat zoiets uit zichzelf weer verdwijnt. Ik was onverwoestbaar. Maar de kanker heeft me voor mijn hoogmoed gestraft. Soms zijn er dingen die vanzelf komen en niet vanzelf weer weggaan.
Is dit trouwens wel hielspoor? Is het niet iets anders?
Bij de begrafenis van W is de ruimte waar de eredienst gehouden wordt overvol. Ze was een strenge maar warme moeder. Ze had het geduld te luisteren en veel mensen konden hun verhaal bij haar kwijt. Actief in het vrijwilligerswerk. Betrokken bij de wereld. Toen bij haar de kankercellen zich in het bekken genesteld hadden, zeiden de artsen dat het iets anders was. "Dat zijn uw nieren," hadden ze gezegd.
Daar in die blankhouten kist zou ook ik kunnen liggen. Als ik vroeger bij een begrafenis aanwezig was, identificeerde ik me met de mensen die geknakt op de voorste rij zaten. Wat moet je in hemelsnaam doen na zo'n verlies? Tegenwoordig ben ik in mijn verbeelding niet meer degene die daar zit, maar degene die daar ligt. Haar drie jongere zussen halen herinneringen op aan hoe W was en ik vraag me af wat mijn broer en zus over mij zouden vertellen. Neven, nichten en uiteindelijk haar kinderen overladen W in haar kist met mooie woorden. Haar echtgenoot en moeder mogen blijven zitten. Ik ben blij dat ik op rij vier zit en ze niet in de ogen kan kijken. Schuldgevoel komt op omdat ook ik met die kanker iedereen in de steek laat. Eeuwige trouw? Maar je bedriegt je geliefde met het eerste het beste gezwel.
Aan mijn fysiotherapeut vertel ik daar niet over. Hij moet me gewoon in mijn hielen knijpen en met geluidsgolven alle beschadigingen laten verdwijnen. Zodat ik weer kan rennen en de dood voor kan blijven. Zo lang ik ren gaat het goed. Dan krijgen de medicijnen die mijn lichaam ingrijpend verbouwen geen greep op me. Geen overgewicht, geen osteoporose en geen diabetes. Als ik tot stilstand kom kan het proces zijn gang gaan. Toen ik via een Amerikaanse website uitgerekend had hoe groot de kans was dat ik nog tien jaar zou blijven leven, heb ik dat triomfantelijk aan mijn uroloog verteld. Enigszins smalend vroeg hij "Stond er ook bij hoe?" De oppas van Helena, wier man aan prostaatkanker was overleden, vertelde hoe hij eerst nog aan sport deed, maar steeds minder kon en uiteindelijk alleen nog tenniste voor aan bij het net, terwijl zijn zoon gemakkelijke ballen aangaf. Ik kan me ongeveer voorstellen wat er gaat gebeuren. Zo verloopt dat proces. Van binnen uit word je gesloopt.
Aan de fysiotherapeut vertel ik alleen dat ik weer snel wil kunnen rennen. Hij lacht. "Je bent een yang type," zegt hij. "Atletisch, beweeglijk. Maar als je ouder wordt verander je vanzelf in een yin type. Daar moet je je bij neerleggen."
Niets yin yang! De dag na de begrafenis laat ik een röntgenfoto nemen. Als het gebeurd is en de laborante me vertelt dat ik over een week over de uitslag kan bellen, vraag ik of de foto's even mag zien. Ze is verrast, maar neemt me mee naar de monitor.
Geen blazen die op uitzaaiingen wijzen. En daar, onder die hak zie ik dat uitstulpende bothaakje: hielspoor. Zie je wel, dat is het. Kom op. Niet zielig zitten doen. Gewoon elke dag zwemmen en hopen dat ik geen nekpijn krijg zodat de therapeut me tijdens de behandeling vraagt: "Heb je wel eens het gevoel dat het water je tot de lippen reikt?"



Terug