| Week 24 -2008 Tante Yola, Marion's kleine tantetje, zit in een rolstoel in onze tuin. Ze viert haar zevenentachtigste verjaardag. Ze kan niets meer. Haar rechterhand ligt verkrampt in haar schoot. Met de linker kan ze nog wijzen. Ze moet plassen. Niemand weet precies hoe ze daarbij geholpen moet worden. Ze dient op een speciale manier op een steek getild te worden omdat ze anders misschien iets breekt. "Laat maar lopen, je hebt toch een luier om." "Ik wil naar mammie toe," zegt ze. Sinds haar moeder overleden is, vraagt ze zich af waarom ze nog moet leven. We hebben een taart gekocht en zingen lang zal ze leven. "Loopt je schoonvader wel genoeg?" informeert mijn moeder. Ze is net achtentachtig geworden. Mijn schoonvader zevenentachtig. "Want ik zie dat aan Wil. Die is pas tweeëntachtig en die kan niet eens meer staan. Dan ga je snel achteruit hoor." "Hij zit en lacht en is gelukkig," antwoord ik. "Ja, hij is nog wel helder," merkt mijn moeder op. "Maar hij moet wel blijven bewegen hoor." In de krant beschrijft iemand z'n laatste ontmoeting met Yves St. Laurent, die deze week overleed. Hij had hem eigenlijk liever niet zo gezien. Kanker, dik, opgeblazen gezicht door de behandeling. De dood ziet er lelijk uit. Natuurlijk kijken we liever een andere kant op. Marion's zus is door het overlijden van W ongerust geworden. Ze heeft een afspraak met de oncoloog en praat erover. "Maar bij haar was de situatie heel anders dan bij jou," zegt haar arts, maar de twijfel is in haar gekropen. Je kunt je hoofd nu eenmaal niet zeggen te stoppen met denken. Of moet je het piekerziekte noemen en er iets tegen slikken? "Het is ook allemaal ontstaan precies in die tijd dat ze me hebben ontslagen bij de kunstacademie," zegt ze. "Die spanning. Ik zie nog die man voor me in wiens kamer ik moest komen. "Je kunt hier alles zeggen. De muren hebben geen oren," had hij gezegd. Hij heeft me bedrogen. Het knaagt aan je. In die tijd moet die kanker begonnen zijn." Het is een aantrekkelijk scenario om in je autobiografie te verwerken. Je bent slachtoffer geworden terwijl je je tomeloos aan het inzetten was voor de goede zaak. Op een dag ben je aan de kant gezet door jonge mensen die je niet meer nodig hebben en door managers die willen bezuinigen. Mes in je rug. Koningsdrama. Als je 's nachts niet kunt slapen zie je de Judas die je verraden heeft en de Pilatus die zijn handen in onschuld wast. Achter je rug bedenken de farizeeërs kwaadaardige plannen en de dwaas begrijpt niet wat er gebeurt en doet uit angst om eigen veiligheid drie keer of hij je helemaal niet kent. Een maand geleden ben ik zestig jaar geworden. Ik heb er niet over geschreven. Wat had ik moeten vertellen? Dat ik eigenlijk op vakantie wilde, maar uiteindelijk toch maar thuis bleef. Met geen enkele grens heb ik moeite gehad. Veertig? Leuk. Vijftig? Wat is er anders geworden? Maar zestig. Voor je vijftigste overlijden is dramatisch. Voor je zestigste: veel te jong. Maar daarna? Hij had nog zo veel willen doen. Er waren wat familieleden en we zongen samen liedjes met begeleiding van de karaokemachine die mijn kleindochter als verrassing voor sinterklas kreeg. Liedjes van vroeger. Ik ken de teksten nog uit mijn hoofd. Pretty woman. Sounds of Silence. I've got you babe. My, my, my Delilah. Heel even ben ik weer zestien. Het is niet zo duidelijk waar ik de schuld van hoe ik me op dit moment voel aan moet geven. Ben ik depressief door de medicijnen, of mis ik de endorfine omdat ik niet kan hardlopen door de voetblessure? Word ik daardoor wat zwaarder en krijg ik daarom hangborsten, ook weer aangestuurd door die kleine rotpilletjes? Wat is kanker eigenlijk? Ik heb er geen enkel verschijnsel van. Wel van de behandeling. Of zijn het gewoon de tekenen van het ouder worden, zoals iedereen die zestig geworden is ze onder ogen moet zien? En wat zijn mensen die zeuren vervelend. Deze week gaf ik een lezing aan Belgische urologen. Net als Nederlandse urologen hebben ze vaak geen flauw idee wat er in de hoofden van hun patiënten omgaat. Ik lees voor uit wat ik erover geschreven heb. Na afloop zegt een van hen: "U bent toch geen gewone patiënt. U heeft duidelijk nagedacht over existentiële momenten in het leven. Over de dood." "Weet u," antwoord ik. "Er bestaan helemaal geen existentiële momenten. Er bestaat alleen stijl en die bepaalt hoe we omgaan met de dingen die op ons levenspad verschijnen. Wij mensen lijden niet aan de dood. We lijden aan het leven." Helena, mijn kleindochter speelt in de tuin met een ballon die ik een maand geleden heb gekregen. Hij hangt slap. Zestig staat erop. Ze kijkt naar binnen en ik naar buiten. 'Opa, opa' roept ze en lacht naar me. Toch wel erg leuk dat ik in ieder geval de zestig gehaald heb. Terug |