| Week 27 -2008 "Wat betekent 'ik zal je nooit vergeten'?", vraagt Helena die tweeëneenhalf jaar oud is aan Marion. Ze heeft haar zus Feline een liefdesliedje horen zingen waarin die regel voorkomt. Nooit, een woord dat net zo moeilijk is als altijd of eeuwig. In werkelijkheid is alles tijdelijk, maar de mens piekert zich liever suf over het oneindige, want dat biedt troost. Misschien is dat wel het moeilijkste van kanker, dat je gedwongen wordt om realistisch te worden. Het duurt even voor je dat voor elkaar krijgt. Ik heb er tenminste nog een paar jaar voor nodig gehad. We zijn immers geheel anders geprogrammeerd en geloven in sprookjes, zingen liefdesliedjes. Dat geven we niet zo gemakkelijk op. Ik was ervan overtuigd dat ik eeuwig en altijd de zelfde zou zijn. Een hardloper en workaholic. Dat wil ik nog altijd, maar ik ben op de schouder getikt. Door mijn hakblessure is hardlopen uitgesloten, is gewoon lopen een plaag geworden en zelfs een stukje fietsen hindert me. En al dat werk waardoor ik dacht dat ik een belangrijk mannetje was? In een jaar heb ik beslissingen genomen die voordien onmogelijk voor me waren. Tijdens een plaspauze bij een vergadering in Bangkok besloot ik vorig jaar met al die ontwikkelingswerkactiviteiten te stoppen. Ik keerde niet meer terug naar de bijeenkomst met de anderen, maakte in plaats daarvan een wandeling en heb nooit meer iets gedaan voor het aids-netwerk dat ik bijna twintig jaar geleden zelf hielp opzetten. Voor het eerst in al die tijd ga ik dit jaar ook niet meer naar de Internationale Aids Conferentie. Het is niet zozeer dat ik wil stoppen met werken, maar dat ik geen zin meer heb in het verspillen van mijn tijd aan mensen die aids en de problemen van anderen gebruiken om zelf iets van hun leven te maken. Degenen die het leed van migranten, hoeren, junkies en straatkinderen tot hun exclusieve eigendom hebben gemaakt en in dure hotels samen ruzie maken over hoe het nu het beste aangepakt kan worden. Die kanker heeft me geholpen weer zo zuiver te kiezen als een kind. Toen ik mezelf in de spiegel in dat toilet in de Thaise hoofdstad zag durfde ik te erkennen wat ik altijd wel wist, maar uit ijdelheid nog niet kon loslaten. Van de week heb ik aan de Commissie Ontwikkelingssamenwerking van het Ministerie voor Buitenlandse Zaken een mail geschreven dat ik geen lid meer wil zijn van de commissie die de minister advies geeft. Men heeft het er overigens nooit over de minister, maar over 'R' alsof we deel uitmaken van een James Bond verhaal. Het werd steeds moeilijker om naar de vergaderingen te gaan, waar bedaarde mannen en vrouwen over Afrika discussiëren alsof van hun mening de toekomst van het continent afhangt. Meestal hadden ze het over een heel andere wereld dan ik. Ze wilden advies geven over wat je met falende staten moet beginnen en hoe privé initiatief de economie daar kan verbeteren, alsof wij ook maar iets kunnen veranderen in landen die geregeerd worden door presidenten die als stamhoofd voor het leven doen wat ze willen. Als het over Zambia of Uganda ging dacht ik aan de desolate bars langs de stoffige wegen, waar meisjes van vijftien rondhangen tot er wat oudere mannen komen die een kleinigheid betalen om met die kinderen te neuken. Een paar biertjes, schoolboeken, wat zakgeld en zo verspreidt aids zich. Voor de anderen in de vergadering waren dat slechts Afrikaanse bijzaken en een keer, toen ik probeerde dat meer op de agenda te krijgen, zei een mijnheer dat ik een populist was. Op dat moment besefte ik al dat ik er niets meer te zoeken had, maar mijn ego zat me nog in de weg. Was ik niet lid van een vreselijk belangrijke commissie? Deze week wilde ik mezelf en die andere leden van de vergadering niet langer voor de gek houden. Ik heb er niets te zoeken. Er zijn dingen waar ik mijn tijd beter aan kan besteden. Zonder die kanker was ik zo ver niet gekomen. Bij de universiteit ga ik met vervroegd pensioen. Ik blijf er nog voor een beperkt deel van mijn tijd omdat ik het erg leuk vind om met studenten te werken, maar dat is alles. Dat contact met jonge mensen, die nog aan 'altijd' en 'eeuwig' denken wil ik namelijk niet missen. Maar het is niet langer mogelijk om daar met mensen om te gaan die me haten om mijn mening en tijdens de vergaderingen waar ik niet bij aanwezig kan zijn beslissingen nemen die me het leven steeds moeilijker maken. Ik heb me lang verzet, maar laat ik het nu maar toegeven. Ik kan niet tegen ze op. Ze winnen. Ik heb de ballen niet om er tegen te vechten en word steeds verdrietiger als ik besef dat gemeenschappen soms zo functioneren. De mensen zonder visie en vuur bureaucratiseren alles wat leeft weg. Daar hoor ik niet en daarom doe ik door de kanker wat ik veel eerder had moeten doen: echt kiezen voor kwaliteit van leven. Binnen een jaar is wat ik dacht dat ik altijd zou doen, wat ik dacht dat nooit zou veranderen, uit mijn leven verdwenen. Niet langer verzet ik me tegen de wetten van de tijdelijkheid. Aan alles komt een eind, maar ik kan Helena wel beloven: Ik zal haar nooit vergeten. Terug |