| Week 29 -2008 Hij keek naar mijn enkels, terwijl ik met armen gekruist op één been stond. "Zeker ook wel eens last gehad van de achillespezen?" Het was eigenlijk geen vraag, maar eerder een constatering. Grote genezers vullen uit zichzelf meestal op basis van weinig gegevens je hele verhaal in. "Ja," antwoordde ik. "Je hebt instabiele enkels," zei hij. "O, ik ben vroeger heel wat keren door mijn enkels gegaan," reageerde ik bedremmeld. De zwakke enkels heb ik van mijn vader. De problemen met mijn heup van mijn moeder. De prostaatkanker van mezelf. Met name herinner ik me de keer dat ik in een hoger badmintonteam in moest vallen. De eerste set had ik verloren. De tweede had ik met moeite naar me toe getrokken. Daarna was ik mijn tegenstander geestelijk de baas, hoewel ik misschien niet zo goed speelde als hij. Met twaalf twee stond ik voor. Nog drie punten. Ik wist zeker dat ik het zou gaan redden. Een hoge backhand. Ik draaide om mijn as en klak, daar ging ik door die enkel. Voor de zoveelste keer. Het doet nog pijn als ik aan die verloren wedstrijd denk. Dat die sportprofessor dat allemaal kon zien terwijl ik daar als een ooievaar in zijn spreekkamer sta. Ik ben gek op de kennis van mensen uit de praktijk, mannen en vrouwen die vertrouwd zijn met het menselijk lichaam. De geschiedenis van de geneeskunde wordt gekenmerkt door de dualiteit tussen de mensen die het lichaam echt kennen en de mensen die erover gelezen hebben. Tussen de barbiers, die dagelijks sneden en de piskijkers, die op theoretische gronden de urine van hun patiënten beoordeelden. Een beetje geel, een beetje troebel, een beetje dun, een beetje dik. De masseur in een tempel in Khong Kaen kan op mijn volle aandacht rekenen. Als hij uitlegt hoe je ter hoogte van de lies de grote beenslagaderen dicht moet drukken, even afgesloten houden en daarna weer loslaten, ben ik een en al oor. 'Open the gate' noemt hij het en door die techniek voel je ineens het warme slagaderlijke bloed weer terug in je benen stromen. Het heeft geen enkele zin, maar de sensatie zorgt ervoor dat degene die gemasseerd wordt diep onder de indruk is. Ik heb dagen doorgebracht luisterend naar slangenbeetgenezers in Sri Lanka, die vertellen over hoe je de verschillende beten herkent. De stand van de tanden ten opzichte van elkaar, de verkleuring van de huid. Zijn de tanden door de huid gegaan? Ik keek toe hoe ze probeerden om het bloed met gif uit het lichaam te verwijderen. Met een doorn gaatjes prikken rond de beet. Daarna zuigen of er adsorberende kool op leggen. Slangensteen noemen ze het. Het is de onopgesmukte praktische ervaring van mannen en vrouwen die met het lichaam bezig zijn. Niet vertroebeld door theorieën die het moeten verklaren. De geschiedenis leert dat de theoretici zulke praktische mensen altijd onder controle proberen te brengen. Het stelsel dat de geleerden bedacht hebben om alles te verklaren zorgt voor dogma's. Heksen, vroedvrouwen, steensnijders moesten in de loop van de tijd plaats maken voor mensen met een diploma. De huisarts die de problemen van duizenden mensen heeft opgelost, moet zich richten naar de evidence-based wetenschappelijke geneeskunde van de mannen en vrouwen in de universiteiten. Die zien geen patiënten maar proefpersonen en tabellen. Ook dat is een aspect van de spanning tussen de doeners en de controleurs. Ik kan niet verbloemen dat ik ook een man met diploma ben, maar mijn fascinatie voor mensen uit de praktijk is groot. Zo heb ik ook enkele helden gekoesterd, die later overigens net als alle andere idolen door de mand vielen. Paracelcus (1493-1541) haalde zijn kennis bij de smeden en de artsen die met de legers meetrokken. Die wisten hoe het lichaam werkt, want ze moesten dagelijks wonden helen en ledematen amputeren. Paracelcus schreef maar liefst 150 boeken omdat hij al die kennis wilde delen. Die Grosse Wundarzney is zijn bekendste boek. Ik heb me vaak afgevraagd of ik in mijn leven dat fenomenale aantal zou kunnen halen: honderdvijftig boeken. Daar heb ik helaas geen tijd meer voor. Sushruta en Samhita. Ook de Indiërs verkregen al duizenden jaren geleden hun kennis over lichaam en gezondheid vooral in oorlogen en door ongevallen. De vedische geschriften zoals de Sushruta en de Samhita staan vol met de lessen van smeden, fracturenhelers en puistengenezers. Ik heb de boeken in India gekocht. Lijvige boekwerken. Het gaat over kontzweren, huidziektes, pijl- en brandwonden, kortom alles wat aan de buitenzijde van het lichaam zat. Zelfs neustransplantaties beschreven ze. Wat ze konden zien en waar ze met hun handen aan konden komen, daar begrepen ze iets van. Met zijn duimen probeert hij diep door het eelt van mijn hak heen te voelen om mijn hielspoor bij de staart te pakken en er misschien wel uit te trekken. Deze man heeft geen echo of MRI nodig. Zonder bloeduitslagen kan hij me vertellen wat er een de hand is. Hij pakt een enkelgewricht uit de kast en demonstreert wat er bij mij gebeurt. Voortdurend moet mijn voet bijstellen. En die peesplaat maar steeds corrigeren tot hij na jaren trouwe dienst geïrriteerd is geraakt. Al die kilometers door het bos, rennend over ongelijke paden. Al die ongeplande afstanden op mijn Italiaanse schoenen over de oneffen trottoirs van grote steden. "En wat gaan we nu doen?" wil ik weten. Zooltjes, speciale schoenen, oefeningen om de spieren te versterken. Ik ben wat teleurgesteld. Een wonder was wel het minste dat ik verwacht had, zodat ik morgen weer alles kan. Hij ziet het op mijn gezicht. "Er is wel wat wetenschappelijk bewijs voor geluidsgolven," zegt hij. "Kunnen we ook proberen." Terug |