| Week 33 -2008 Wat is het huisnummer in de Rubensstraat waar ik tot mijn vierde jaar gewoond heb? Ik wist ongeveer waar het moest zijn. Het huisje van de ijsbaan stond er tegenover, maar dat bleek verdwenen. Wel was te zien waar het ongeveer gestaan had. We fietsten langs de plaatsen die het eerste deel van mijn leven markeren: de wijk waar ik opgroeide, mijn lagere school en uiteindelijk ook de plek waar mijn leven begon. Het was allemaal kleiner dan het zou moeten zijn. Op de terugweg gingen we even langs bij mijn schoonouders. Daar besloot ik mijn moeder te bellen om haar te vragen op welk nummer we gewoond hadden. Terwijl ik wachtte op verbinding hoorde ik mijn schoonmoeder tegen Marion praten en ik besefte dat zij erg opgewonden en luid sprak. Daarom stelde ik het telefoongesprek uit tot ik thuis zou zijn. Tot dat moment had ik het volume van haar stem niet abnormaal gevonden, maar ineens besefte ik dat het een schreeuw om hulp was. Misschien was het ook boosheid die vrij kwam. Woede omdat de hele wereld tegen haar samenspant. In zijn stoel zit mijn schoonvader. Af en toe is hij afwezig en lijkt hij elders, maar soms is hij heel helder, luistert en glimlacht. Naar de tuin lopen is te veel voor hem. Hij schuifelt 's morgens van zijn bed naar de traplift en vervolgens beneden aangekomen naar zijn stoel. 's Avonds gebeurt het omgekeerde. Als hij overdag in zijn luie stoel in slaap valt stuurt mijn schoonmoeder hem naar boven en maakt hij de reis een tweede keer. Elke dag moet ze de onderbroeken, de lakens wassen, want hij plast vaak in zijn broek. Ze maakt de wc schoon als hij daar geweest is, want hij is niet langer in staat zijn penis te richten. Ze brengt de luier die hij 's nachts heeft gedragen naar de vuilnisbak. Haar gevecht met het vuil en de hinderlijke geuren is de strijd die ze voert tegen zijn kanker. Als je hard genoeg boent zal het verdwijnen. Ze ziet hoe het leven langzaam maar zeker tot stilstand komt. De laatste tijd hapert de traplift af en toe. De onderhoudsmonteur zal maandag komen. Zij moet die dag juist naar het ziekenhuis om te horen wat de uitslag van de jaarlijkse nacontrole van haar borstkanker is. Die monteur komt hopelijk voor dat zij vertrekt, want hoe met het anders? De achterdeur kun je tegenwoordig niet open laten, want dan worden ze misschien beroofd. Er zijn steeds minder leuke dingen om aan te denken. Soms zet ze krontjongmuziek op en speelt die zo luid, dat alle gedachten verdwijnen en het lijkt of ze terug is in de tijd dat alles goed was, er nog toekomst was. De kaarten zijn steeds ongunstiger verdeeld voor mijn schoonmoeder. Er is geen manier meer om het spel nog te winnen. Haar wereld is klein geworden en ze probeert hem krampachtig onder controle te houden. Als een angstig meisje van acht heeft ze haar lichaam gebogen, haar vuisten gespannen en ze kijkt naar beneden. Naar het kleine stukje onder zich. Daarover wil ze de baas zijn want alles om haar heen is chaos. Steeds weer nieuwe verrassingen en bedreigingen. Niemand durft ze nog volledig te vertrouwen. Alles wat we bedenken om haar te helpen wijst ze resoluut van de hand. Ze kan veranderingen niet meer aan. "Zullen we een droger kopen, dan hoef je de was niet meer op te hangen?" Die wil ze niet, want dan moet je het er toch weer in doen en uithalen. En de was kreukt. "Zullen we eens met de thuiszorg praten over meer hulp?" Ze heeft genoeg hulp. Ze kan het wel. Het is warm en drukkend buiten, maar de verwarming staat op drieëntwintig graden en ramen mogen niet open. "Anders vat pa kou." Als één van haar schoondochters toch een raam probeert te openen, reageert ze verstoord, want dan moeten de orchideeën die ze kweekt en in bloei staan worden verschoven. De bloemen vallen er misschien af en één plant heeft er nota bene veertien. Het is nog wel een aardorchidee. Dat is heel bijzonder. Haar dochters en schoondochters zijn in de leeftijd van de opvliegers en houden het in de warmte niet uit. "Nou die heb ik nooit gehad," zegt ze. Eerder dan we van plan zijn stappen we weer op de fiets, maar kunnen die nacht niet slapen. Hoe help je iemand die dat niet wil? Ze zou op vakantie moeten gaan. Naar Jakarta kan ze niet meer vanwege haar trombose, maar de laatste tijd praat ze over een bezoek aan haar zoon in Rome. Hoe moet dat met mijn schoonvader? Als hij zijn tuin niet meer in komt, hoe krijgen we die dan naar de Italiaanse hoofdstad? Zo loopt de weg die ons leven markeert. Van de plaatsen waar het allemaal begint en alles nog mogelijk is, naar de lagere school in de Dollardstraat waar de eerste strijd moet worden gevoerd, naar de middelbare school bij het station waar je ontdekt wat je kunt, naar de eerste avonturen in het buitenland, naar Jakarta, New York, Rio de Janeiro en momenten van triomf, tot het leven verstilt en we alleen nog kunnen dromen van een plek waar we bevrijd zijn van alle lasten. De volgende dag zie ik dat Marion me een mail heeft gestuurd met een citaat van Francois de La Rochefoucauld. "Hope, deceitful as it is, serves at least to lead us to the end of our lives by an agreeable route." Terug |