Week 34 -2008
Op de ochtend van zijn begrafenis werd ik met een schok wakker. Doordat mijn oom er niet meer was, werd ik de oudste in onze familie. De hele generatie boven me was verdwenen. Mijn vader en zijn neef waren de enigen die uit de oorlog gekomen waren. Mijn vader omdat hij vanwege tuberculose in het sanatorium lag en omdat mijn grootvader bij terugkeer in Nederland in 1933 de tegenwoordigheid van geest had bij de gemeente niet op te geven dat hij joods was. Zijn voornaam David had hij veranderd in Ivan. Mijn oom overleefde omdat hij met het veilige persoonsbewijs van mijn vader naar Frankrijk kon vluchten. Zijn geschiedenis is vastgelegd op een dvd die door de Shoa Foundation van Spielberg gemaakt is.
Ondanks dat ik drie jaar na die oorlog geboren werd beïnvloedde de traumatische tijd het denken van mijn eigen generatie. Ons hele waardenbesef, het idee van goed en kwaad, het was allemaal daaraan gekoppeld. Verraad, heldenmoed, trouw hadden te maken met wat er tussen 1933 en 1945 gebeurd was en dat werd als vanzelfsprekend direct vertaald naar eigentijdse situaties. Ruimte voor het erkennen van een specifieke context van gebeurtenissen en keuzen was er nauwelijks. Toch werd er binnen onze familie weinig over die oorlog en onze grote familie die vermoord was gesproken. Hier en daar een halve zin, maar nooit een volledig verhaal. De namen van wat mijn ooms, tantes, neven en nichten hadden moeten zijn leken zelfs verdwenen. Mijn vader had alleen maar die ene neef, en ik één oom en twee nichten.
Tussen mijn tiende en mijn zestiende las ik hongerig alles wat met de Joodse geschiedenis te maken had, ook al begreep ik het misschien niet altijd volledig. Het begon eenvoudig met het Dagboek van Anne Frank en Exodus en Mila 18 van Leon Uris, maar mijn belangstelling bracht me al snel op boeken die wat minder vlot lazen. De verhalen van mijn eigen familie hoorde ik nooit.
Toen ik eenmaal het werkelijke leven ontdekt had veranderde alles. Mijn oom zag ik nog maar zelden. Het lag niet aan hem, maar aan mij. Op mijn verjaardag belde hij me soms, maar ik zou werkelijk niet weten wanneer zijn verjaardag was. Met klem nodigde hij me uit voor zijn zestigjarig huwelijksfeest, maar ik kon die dag niet. Ik moest ook zoveel doen. Natuurlijk wilde ik alles over onze familie weten en aan mijn vader kon ik het niet meer vragen. Die kans was voorbij. Toch stelde ik het gesprek met mijn oom altijd uit.
Doordat ik wel eens een interview gaf ontving ik brieven van mensen die informeerden of ik familie was van David of Aron of Gustaf of Ruth Wolffers. Die stuurde ik door naar mijn oom. Hij was er blij mee, want op die manier kon hij de verdwenen familie weer een beetje reconstrueren. Na een interview in Der Spiegel kreeg ik bijvoorbeeld een vriendelijk bericht van een rechter in Bern, die deel uitmaakte van de Zwitserse tak van de familie. Hij schreef dat hij mijn grootvader gekend had en samen hadden ze bergwandelingen gemaakt. Mijn oom bezocht hem vervolgens en de rechter kwam bij mijn oom op bezoek. Ik had geen tijd om hem te ontmoeten. Haastig leven.
Toen vorig jaar mijn tante overleed met wie mijn oom drieënzestig jaar lang getrouwd was geweest, besefte ik dat het met hem ook wel eens snel kon aflopen. Wat moet een man alleen? Maar iedereen zei dat hij wel honderd zou worden. Ik liet me graag in slaap sussen en stelde een bezoek aan hem uit.
Een paar maanden geleden werd ik voor een tijdschrift gevraagd iets over mijn favoriete boeken te vertellen. Van die vragen in de trant van 'welk boek ligt er nu op uw nachtkastje?' en 'wat is het beste boek dat u ooit heeft gelezen?' De dame van het blad vroeg me ook welk boek ik cadeau zou willen geven en aan wie. Zo maar zonder erover te nadenken en tot mijn eigen verrassing zei ik dat ik Verloren van Daniel Mendelsohn aan mijn oom zou willen geven. Dat zou een mooie aanleiding kunnen zijn om te praten. Maar er moest nog zoveel geschreven worden en ik had deadlines. Het is er daarom nooit van gekomen.
Met mijn oom verdwijnt niet alleen hij, maar het grootste deel van onze familiegeschiedenis, van die van mijn vader en grootvader en van al die familieleden wier namen ik niet eens ken. Tijdens de plechtigheid in de sjoel moest ik daarom wel spreken om te bekennen hoe ik gefaald heb en als oudste man in de familie eigenlijk niets te bieden heb. Zeker nu ik die prostaatkanker heb en meer haast dan ooit heb om af te maken wat ik allemaal nog van plan ben.
De rabbi las voor uit de wijsheiden van de Joodse geleerden: "Het goede op aarde duurt maar kort. Een goede naam leeft eeuwig voort." Met de naam zullen we het moeten doen. De verhalen die erbij horen vervagen en lossen op.



Terug