| Week 36 -2008 Om vijf uur was ik wakker en het lukte me niet meer in slaap te vallen. Toen het licht werd stapte ik uit bed en probeerde te werken. Mijn hoofd was er echter niet bij. Tegen de tijd dat ik deur uit ging was ik al vier keer naar de wc geweest. In de bocht van de A2 naar de A10 hield ik het opnieuw niet meer. Ik zette de auto op de vluchtstrook en plaste tegen de vangrail. Sommige medeweggebruikers vonden het ongepast en drukten lang op hun claxon. Helemaal op tijd was ik niet geweest. Daarom zat ik met een wat natte onderbroek in de wachtkamer. Voor ik naar het ziekenhuis reed moest ik nog even naar Ricardo, die nog aan mijn voet met hielspoor werkt, en er stroom doorheen jaagt. Tegen de spierkrampen in oefen ik. Ricardo grijpt de ontstoken peesplaat die me het rennen onmogelijk maakt, en kneedt en knijpt om hem weer willig te maken. Ik moet weer snel zoals vroeger kunnen rennen. Doordat ik al maanden niet meer hard loop voel ik me niet de man die ik was. Het ergste is het als ik me voorstel dat ik misschien nooit meer zal kunnen hard lopen, dat ik dat deel van mijn leven gewoon op zal moeten geven. Naarmate je ouder wordt zul je keer op keer delen af moeten staan, kwijt raken, afgenomen worden. Maar liever nu nog niet. Morgen pas. Het onderzoek over de medicijnen die ik slik had ik een paar weken geleden uitgeprint en op mijn bureau gelegd. Als waarschuwing stond erop: save trees, don't print this. Het was beter als erop gestaan had 'Print dit niet en bewaar je gemoedrust; laat het iets vaags op het internet blijven'. Telkens als ik iets zocht - en ik ben vaak van alles kwijt - kwam ik het tegen. De boodschap was dreigend. Mijn medicijnen helpen aanvankelijk, maar op een kwade dag raken de kankercellen resistent tegen het medicijn en gaat het gezwel weer zijn eigen gang. Ik las de eerste alinea's nog een keer voor ik van huis vertrok. In de auto had ik naar oude mannen jazz geluisterd. Jonge vrouwen die op melancholieke wijze over vervlogen liefdes zingen. Over goodbye en de geur van je huid nog op het kussen. Het gefluister van je stem klinkt na in mijn oren. Oude mannen vinden dat mooi omdat die vrouwen helemaal nog niet door hebben dat het leven snel vervliegt, niet te vangen is en dat wat ze denken bereikt te hebben morgen verdwenen is. Over twintig jaar is er alleen nog een foto die bewijst hoe ze ooit straalden en een vergeeld krantenknipsel dat herinnert aan de vijf minuten roem van vandaag. In de wachtkamer las ik de biografie van John Stape over Joseph Conrad. Het is de derde keer dat ik een levensgeschiedenis over mijn lievelingsschrijver lees. Over havens die hij in 1886 binnenvoer, op welk schip hij aanmonsterde en wie hij daar ontmoette. Een leven dat verdwenen is, maar is blijven hangen in prachtige romans over een wereld die niet meer bestaat. Het was al verwenen toen Conrad er over schreef. Later als ik echt met werken stop ga ik al die boeken weer lezen. Almeyer's Folly en An Outcast of the Islands. Lord Jim en Into the Heart of Darkness. Nu volstaat die biografie om me te herinneren aan het plezier dat ik had toen ik ze de eerste keer las. Met mijn uitgeefster had ik nog gesproken over mijn nieuwe boek 'Onweer in de Verte'. De drukproeven zijn gecorrigeerd en ik ben trots. Deel drie van mijn kankeroeuvre. Belachelijk, want ik zou moeten schrijven over het leven, dat zo kort is, dat je wilt koesteren, beschrijven om het te bewaren, in een mooi album opbergen, of in een bijzonder doosje bewaren. In plaats daarvan gaat wat ik schrijf te vaak over de PSA. Zelfs mijn uitgeefster weet inmiddels wat dat is, hoewel we in ons gesprek over mijn unique selling point, mijn USP dus, de afkortingen aardig met elkaar beginnen te verwarren. Ik was erg vroeg omdat nog niet alle scholen in het land begonnen zijn en er daardoor weinig verkeer op de weg was. De wachtkamer zat vol. Mijn uroloog loopt altijd flink uit. Daarom kan ik op twintig tot dertig minuten extra wachttijd rekenen. Wat meer Joseph Conrad dan maar. Maar vijf minuten voor de afgesproken tijd hoorde ik hem zacht maar dringend zeggen 'Mijnheer Wolffers'. De andere mensen in de wachtkamer keken jaloers in mijn richting. Ik was het laatst gekomen en nu al aan de beurt. Maar ik wist onmiddellijk dat hij me iets vervelends moest zeggen. Terug |