| Week 37 -2008 Mijn kleindochter Helena blijft zich zorgen maken waar buurvrouw Jannie is gebleven. Ze heeft geleerd dat Jannie dood is, maar waar zit ze nu? "Naar de zon gegaan," zeggen haar ouders. Dat hebben wij onze zoon Kaja ook altijd verteld. Toch blijft het moeilijk voor een kind om zich voor te stellen hoe de zwarte auto van de begrafenisondernemer bij die zon terecht komt. Toen mijn uroloog vertelde dat mijn psa weer erg omhoog was gegaan, voelde dat ook als een stapje dichter bij de zon. "We moeten praten over het moment waarop je weer die prikken in de buik moet krijgen," zei hij. Aan die prikken in mijn buik heb ik een vreselijke hekel. Niet omdat het een beetje pijn doet. Dat is nooit het ergste. Wel omdat de bijwerkingen me de vorige keer dat ik de prikken kreeg niet zijn meegevallen. Ik was een huilebalk geworden en kreeg opvliegers als er maar even iets tegen zat; iemand bij wie de lust was verdwenen; een Ivan zoals Ivan nooit was geweest. Daar valt niet mee te leven. Bovendien betekent de buikprik dat je weer een loopgraaf moet verlaten en je ergens verderop beschutting moet zoeken. Steeds verder wijk je terug en dan nog de chemo. Uiteindelijk valt het niet meer tegen te houden en ben je patiënt en ga je dood. Juist als ik aan het idee probeer te wennen dat ik dan misschien mijn toevlucht weer moet zoeken bij de castrerende prik, krijg ik een onderzoek over de behandeling van prostaatkanker onder ogen. Misschien is het niet goed dat ik al die dingen lees. Maar moet ik bij mijn dagelijks zoeken naar medisch nieuws dergelijke artikelen overslaan? Het onderzoek werd gedaan bij muizen. Men wilde weten waarom de hormoonbehandeling bij prostaatkanker op een gegeven moment helemaal niet meer helpt. Sterker, het lijkt zelfs of de behandeling een boemerangeffect heeft en het verloop juist versnelt. Bij muizen is nu duidelijk geworden wat er aan de hand is. De medicijnen werken aanvankelijk op bepaalde cellen in de prostaat, maar er zitten meer cellen in. Die worden op den duur juist sterker aangezet tot kankergroei. Nu ben ik geen muis, maar zou het niet verstandig zijn om dan maar radicaal te stoppen met welke medicijnen dan ook? Het is alsof de geallieerde hormoonknijpende troepen die bij je in de loopgraaf zijn om je te helpen, je in de rug schieten. Het is verleidelijk te overwegen om te stoppen. Ik heb immers behalve vaak plassen en een opgedroogde ejaculatie nooit enige last gehad van die kanker. We zijn nu bijna zes jaar lang vooral bezig om die psa onder controle te houden, met alle bijwerkingen die erbij horen. Wie weet wat er zal gebeuren als die blijft stijgen? Mijn uroloog heeft daar wel een vermoeden van, want hij kent de statistiek die de kansberekening voor de levensverwachting van mannen zoals ik weergeeft. "Misschien moeten we nog één poging wagen het proces op andere manier op te houden," zegt hij. "Ik heb uit alles wat je me vertelt wel begrepen dat je het niet zo op hebt met die prik." Ik lach dankbaar naar hem. Wat is er dan nog waar ik niets vanaf weet? "In Antwerpen werken ze met hoge frequentie ultrageluid," legt hij uit. "Daarmee verbrand je de prostaat als het ware van binnen uit. In Nederland doen we dat niet." Samen zoeken we op het internet in welk ziekenhuis ik daarvoor moet zijn. "Er is geen wetenschappelijk bewijs voor dat het echt effectief is," waarschuwt hij. "Maar die Belg heeft er al veel mannen mee behandeld en daarover gepubliceerd. Het lijkt vaak goed uit te pakken." De reis naar Ghana heb ik afgezegd om snel een afspraak te kunnen maken. Mijn prostaat is op dit moment belangrijker dan de gezondheidsproblemen van de arme Ghanees. Als ik hem aan de telefoon heb en een afspraak maak, informeert de Belgische uroloog wanneer ik bestraald ben. "Vijf jaar geleden," zeg ik. Vlaams is een mooie taal, maar wat jammer dat je het soms niet helemaal goed verstaat. Zegt hij nu "Dan is er volledige genezing mogelijk" of "Dan is er geen kans op volledige genezing."? Waarom vraag ik niet: "Wat zei u precies?" Gedurende het weekend logeert Helena bij ons. We fietsen samen, gaan samen gezellig uit eten en spelen met z'n drietjes keukenprinses en doktertje. Bij dat laatste is Marion, Helena of ik om de beurt de dokter die de patiënten onderzoekt. Helena geniet als ik in haar oren kijk, haar neusgaten inspecteer, haar omhoog laat kijken en opzij, en haar zeg 'Doe je mond eens open en zeg A." Steeds is een ander de arts, maar uiteindelijk wil ze iets samen doen. We zijn alledrie patiënt en gaan op de bank in de gang onder het dakraam liggen. "Maar wie is dan nu de dokter Helena?" vragen we. "De zon," zegt ze. Terug |