| Week 42 -2008 Na 41 titels in ook nog verschillende edities, 155 drukken en meer dan een miljoen verkochte exemplaren blijk ik als schrijver verrassend naïef bij het verschijnen van een nieuw boek. Nog altijd ben ik niet voorbereid op de gevolgen van wat ik aanricht met wat ik op papier zet. De postbode bracht een doos exemplaren van 'Onweer in de verte' en trots liet ik mijn nieuwste boek aan Marion zien. Tot mijn grote genoegen begon ze er onmiddellijk in te lezen. Het is gebaseerd op een reeks weekboeken die op mijn website gestaan hadden. Nadat ik dat kunstje al twee keer uitgehaald had, verbaasde het mezelf dat ik het nog een keer herhaalde, maar bij doorlezen had zich een duidelijk verhaal aan me opgedrongen. Dan heb je kanker, je hebt geaccepteerd dat het leven eindig is, je doorstaat de hinder van de behandelingen die bedoeld zijn om je leven op te rekken en ondertussen begint het wachten. Er komt altijd nog meer. Van de goede momenten, maar ook van de tegenslagen en teleurstellingen. De bloeduitslagen zorgen zonder dat ik het wens voor het metrum van mijn bestaan. Alles in mijn leven krijgt de kleur van de stilte voor de storm. Daar draagt het verhaal van mijn schoonouders sterk aan bij. Bij mijn schoonvader is de zelfde kankersoort in een verder gevorderd stadium en het zorgt voor een steeds kleiner wordende wereld. Elk bezoek dat ik hen in de afgelopen twee jaar bracht, heeft me met mijn eigen prostaatkanker geconfronteerd. Alsof ik in de toverspiegel die me de toekomst laat zien kijk. Logisch dat de poep, de pies, de onderlinge verwijten van mijn schoonouders de achtergrond vormden voor mijn angsten. Eindigt het daar? In ruzietjes om niets omdat mijn schoonmoeder drie kwartier weg is geweest om boodschappen te doen en mijn schoonvader haar verwijt dat ze drie uur lang op stap is geweest? In het hoopvol afwachten tot de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen op bezoek komen en de tijd daartussen vullen met televisie kijken? Tenniswedstrijden en Animal Planet. Natuurlijk was er ook van alles dat hoopvol zou moeten stemmen, maar dat kon ik niet meer zien door mijn eigen preoccupaties. Ze had ongeveer de helft van het boek gelezen toen Marion me vroeg of ik haar ouders toestemming gevraagd had over ze te schrijven. Onmiddellijk besefte ik dat het een kleine moeite geweest was ze even de drukproeven te brengen en die een week later weer op te halen. Het zou van meer respect getuigd hebben dan maar voetstoots alles wat ze in mijn nabijheid deden en zeiden te beschouwen als onderdeel van mijn eigen leven, waar ik als vanzelfsprekend eigendomsrechten op kon doen gelden. Ik kon me niet eens achter het smoesje van romanschrijvers verschuilen dat het allemaal maar fictie is, want mijn boeken zijn autobiografisch. Natuurlijk selecteer ik netjes welk deel van mijn leven ik wil laten zien om uit te drukken wat ik denk en voel, maar ik ben degene die de camera hanteert en beslis over wat er in beeld komt en wat erbuiten blijft. Onmiddellijk wilde ik recht zetten wat ik had nagelaten. Ze moesten snel het boek lezen en als er ook maar iets was dat hen dwars zat, zou ik de hele oplage bij de uitgever opkopen en laten vernietigen. Marion herinnerde me er fijntjes aan dat haar vader geen boeken meer leest en dat haar moeder zo druk is met overleven dat ze zelfs opziet tegen het pakken van een boek. Drie giro's uitschrijven brengt al zo veel spanning in haar leven dat aan geen enkele kant nog onder controle te brengen lijkt, dat het haar een middag kost. "Dan lees ik het helemaal voor," zei ik. "Al moet ik daarvoor elke dag een uur naar ze toe." Een dag later zat ik bij ze met het boek waarvan ik dacht dat het het beste was dat ik ooit had geschreven, maar dat nu bezoedeld was. Na uitgelegd te hebben dat ik de afgelopen twee jaar vaak over ze geschreven heb en alles wat ik bij ze zag gebruikt heb voor mijn eigen verhaal, sloeg ik het boek open. Het begint met een verhaal over een Indiase man die zijn dokter doodschiet omdat hij hem niet van zijn impotentie af kan helpen. Het vormt de aanleiding om mezelf af te vragen wat belangrijker is: lust of lang leven. Daarbij beschrijf ik ook onderzoek dat aantoont dat de menselijke geilheid erfelijk is. Geilheid is een lastig woord om in het bijzin van mijn schoonouders uit te spreken, maar het bleek nog erger te worden. Ik vervolgde: "De mensen die onderzocht werden moesten een aantal vragen beantwoorden. Hoe belangrijk is seks in uw leven? Hoe vaak wilt u neuken? Hoe vaak heeft u seksuele fantasieën? Hoe vaak heeft u moeite een stijve - of als u vrouw bent - een natte vagina te krijgen?" De wenkbrauwen van mijn schoonmoeder veranderden langzaam maar zeker in een diepe frons en mijn schoonvader was met zijn gedachten intussen heel ergens anders. Waar was ik in hemelsnaam aan begonnen? In de achtendertig jaar dat ik mijn schoonouders ken heb ik in hun bijzijn nog nooit het woord neuken gebruikt. Een beetje verontwaardigd vroeg mijn schoonmoeder aan mijn schoonvader: "Heeft die dokter aan jou ook al die vragen gesteld." "Nee, nee," zei ik snel. "Dit was een wetenschappelijk onderzoek, niet het soort onderzoek dat artsen gewoon doen bij elke patiënt." Volgens mij deed ik zowel mijn schoonouders als mezelf een groot plezier met voorlezen te stoppen. "Nou," zei ik. "Lees de rest zelf en dan moet je me eerlijk laten weten wat je vindt." Voor ik vertrok zei mijn schoonmoeder: "Ivan, het is goed dat je over die dingen schrijft, zodat mensen weten wat het echt is." Terug |