| Week 43 -2008 Indianenverhalen uit het ziekenhuis doen het goed en co-assistenten die alles voor de eerste keer mee maken registreren ze waarschijnlijk het beste. Hun onschuldige ziel wordt zwaar aangedaan door wat ze in de echte wereld meemaken. Gecombineerd met de opwinding dat ze een beetje doktertje mogen spelen maar vooral moeten toekijken, maakt hen tot ideale vertellers. Alles komt voor hen voor de eerste keer langs. Later zullen ze nooit meer verrast worden door de werkelijkheid van het leed van patiënten en de groteske vormen waarin het menselijk bestaan zich soms aandient. In medische kringen gebruikt men de term 'in de kliniek' voor alles wat er aan gene zijde van de gewone wereld gebeurt. Het woord klinisch is voor medici een bijna sacraal begrip dat alle handelingen rechtvaardigt. In die kliniek gebeurt het en de eerste hulpafdeling is de verbinding tussen de buitenwereld en de medische binnenwereld. Daar golft het geweld van het echte bestaan door de deuren naar binnen. In de medische opleiding wordt verschil gemaakt tussen de jaren dat je geen patiënten ziet - de preklinische periode - en de jaren dat je achter de artsen en hun assistenten aan hobbelt en leert hoe je hun gedrag moet imiteren om er bij te horen - de klinische jaren. Iemand met poëtisch talent omschreef het eens voor me als de precynische en de cynische jaren. Er is een scheidslijn tussen de naïviteit van de studenten die denken dat er voor alles een oplossing is en dat de wetenschappelijke geneeskunde daarvan de allerbeste levert, en het gebied voorbij de onnozelheid, waarin artsen geleerd hebben om zich maximaal te richten op het kleine beetje dat ze denken te weten en hun onkunde goed maskeren. Ik denk terug aan mijn eigen tijd als co-assistent en probeer me te herinneren wat op mij onuitwisbare indruk maakte. De gespannen mensen, de angst in de gezichten, de breuken en het bloed, de zwarte koffie om wakker te blijven ben ik vergeten. Wel herinner ik me het meisje dat van de zeventiende verdieping sprong en het overleefde. Mijn vrienden vertelden er vaak over, want het gebeurde net na mijn dienst en ik moest het hebben van hun verhalen. Later zag ik haar in een rolstoel, haar rechterbeen afgezet. Gelukkig, ze was gered! Ook de man die uit de gevangenis ontsnapte door telkens als hij behoefte had naar huis te gaan een lepel in te slikken, iets dat hij al vijfendertig keer had gedaan. Na de operatie trok hij het infuus uit zijn arm en ging weg. Zijn borst en buik vormden een landkaart van de littekens die hem telkens terug brachten naar zijn geliefde. Hij gaf me twee wijze levenslessen mee: "Ach, pijn doet geen zeer." En: "Nooit een vork inslikken, want die blijft steken." De derde herinnering is die aan de oude man die van de pijn zijn gulp niet durfde te sluiten. Er stak een klein stukje rood waslijndraad uit de opening van zijn penis. In het ziekenhuis, waar hij een maand eerder was opgenomen wegens prostaatklachten had hij sinds lange tijd weer een vrouwenhand gevoeld aan de delen die bij mannen om extra koestering vragen. Dat gebeurde als de katheter werd ingebracht. Thuis, in zijn eenzame opwinding had hij zich het gevoel proberen te herinneren door bij zichzelf die waslijn in te brengen. In de blaas was de lijn echter in de knoop geraakt en daarna kreeg hij hem er niet meer uit. De verpleegsters keken beschaamd een andere kant op en de artsen gniffelden. In de tijd dat ik werd opgeleid was de verdeling der geslachten nog ongeveer zo. Nu is het bijna andersom. Ik piekerde me suf hoe deze man geholpen moest worden. Niet aan zijn alleen-op-de-wereld syndroom, maar aan de knoop in zijn waslijn. Moest je daar aan gaan trekken? Moet je voor zoiets geopereerd worden? De kordate arts van dienst wist er wel raad mee. Eerst moest geprobeerd worden de lijn eruit te krijgen op de manier waarop hij er was ingegaan. Daarvoor moest de opening van de plasbuis wat worden opgerekt. Onnozele co-assistent als ik nog was, wist ik echt niet hoe dat in zijn werk gaat. De sondes werden te voorschijn gehaald. Glimmende metalen staven van verschillende diameters met een ronde voorzijde. Eerst ging de smalste erin. Een onaangenaam gevoel leek me dat. Vervolgens pakte de arts telkens een andere, deed er een glijmiddel op waarin ook wat pijnstiller zat, en bracht hem in tot hij uiteindelijk ook de dikste gebruikt had. Die was zeker een centimeter in doorsnede. Ik probeerde me niet voor te stellen hoe dat aanvoelt en wat de man er de dagen erna nog van zou merken. Uiteindelijk lukte het om de tweeëneenhalve meter draad die zich een plek in zijn blaas had veroverd er met knoop en al uit te trekken. Een maand later dan ik gewild had kan de Belgische uroloog me een plekje in zijn kliniek geven, want eerst wil hij de prostaat behandelen om mijn plasproblemen op te lossen. Die kunnen volgens hem door de HIFU alleen maar erger worden. Ik loop anders het risico de rest van mijn leven een luier te moeten dragen. En hoe staat dat onder mijn Italiaanse pak? Daarom zal hij met zijn apparatuur via mijn plasbuis naar binnen gaan om het allemaal in orde te maken. Een paar dagen daarna kan hij pas iets aan de prostaatkanker doen. Vervolgens moet ik thuis nog twee weken met een katheter rondlopen. Dat lijkt me nog het allerergste. Kun je dan wel afspraken maken en over werk praten? Met zo'n slangetje naar een plastic zakje in een wijde broek net doen of er niets aan de hand is? En hoe voelt het vervolgens? Of ze tweeëneenhalve waslijn eruit hebben getrokken? Terug |