Week 45 -2008
Nog een paar dagen nadat ik begreep wat er gebeurd was heb ik nagedacht over hoe het zou zijn verlopen als we niet om twaalf uur 's morgens waren gekomen maar 's middags, een paar uur later. Of wat er gebeurd zou zijn als we niet op zaterdag, maar op zondag op bezoek zouden zijn gegaan.
Mijn schoonmoeder belde vrijdagavond om te vertellen dat mijn schoonvader voor de toilet in elkaar was gezakt en niet meer overeind kon komen. Mijn eerste impuls was in de auto te springen, maar Marion was er niet omdat ze ergens in een radiostudio een interview gaf en ik moest op mijn kleindochter passen.
"Kan iemand anders je even helpen?" vroeg ik.
Ze besloot de buurvrouw te vragen en een uur later telefoneerde ze opnieuw om te vertellen dat het gelukt was. Samen hadden de twee negenenzeventigjarige vrouwen mijn schoonvader weer op de been gekregen.
De dag erna gingen we even bij ze langs.
"Hoe gaat het met pa?" informeerden we.
"O, die ligt boven op de grond," zei mijn schoonmoeder. "Ik krijg hem niet meer omhoog."
De hele nacht had hij daar gelegen, want toen hij naar bed ging was hij opnieuw in elkaar gezakt. Het is een raadsel waarom mijn schoonmoeder me niet heeft gebeld toen hij dertien uur daarvoor in elkaar zakte. En waarom vroeg ze niet opnieuw de buurvrouw te hulp?
Het moet de wanhoop geweest zijn, blinde vlekken door de paniek. Wat ze ook bedacht, ze kon er waarschijnlijk telkens een reden bij bedenken waarom het geen zin zou hebben. Haar armen waren uitgeput van het trekken aan het onwillige lichaam van mijn schoonvader. Vermoedelijk draaiden haar gedachten als dol geworden honden door haar hoofd en kwam er geen einde aan de waanzin van de angst. Zou ze hem een deken en een kussen hebben gegeven?
Er komt geen einde aan het proces van het verval en het is geen leuke ervaring dat bij je geliefde te moeten zien. Hardnekkig wil mijn schoonmoeder geloven dat het weer in orde komt en dat er een toekomst is. Als hij maar meewerkt blijft hij vast nog in leven. Maar kanker werkt niet graag mee. Mijn schoonmoeder kan het niet meer aan. Dit proces is het zwaarst voor wie het aan moet zien en van de zijlijn toe moet kijken hoe het onvermijdelijke toch plaats vindt. Als enthousiast publiek roepen we 'hou vol' en 'zet door', maar de bokser krijgt weer een harde rechtse op zijn neus. Hij zou wel willen, maar hij is murw gebeukt.
Op het moment dat we horen dat we kanker hebben schrikken we. We hebben alles te winnen en zetten ons als dappere soldaten in om het te stoppen. De ergste behandelingen schrikken ons niet af. Bloedwaarden zullen en moeten zich terugtrekken: naar beneden, achter de linies. We zullen in ieder geval weer een beetje functioneren. Af en toe nog samen ergens naartoe. Maar al snel ontdek je dat je alleen nog maar te verliezen hebt. Telkens moet je het perspectief bijstellen. Wat je dacht veroverd te hebben, dat waarop je je met moeite had ingesteld, blijkt niet bestendig. Je kunt een boom in de herfst niet dwingen zijn bladeren vast te houden.
Hij ligt nu in zijn bed en lacht naar wie op bezoek komt. "Ik ben niet ziek hoor," zegt hij om ons gerust te stellen. Hij huilt als we weg gaan. Als we hem vertellen dat we even op vakantie gaan, vraagt hij 'hoe lang'. Na een paar minuten is hij het weer vergeten en vraagt het opnieuw. Hij is bang en wil niet alleen gelaten worden. Daarom roept hij haar steeds.
De weekenddokter heeft naar zijn heupen gekeken en gezegd dat die goed functioneren en dat hij rust moet houden. Mijn schoonvader zegt dat zijn knieën niet meer willen, maar de vaste huisarts doet wat onderzoek op maandagochtend en constateert dat die goed bewegen.
"Zie je wel, je kunt het wel," zegt mijn schoonmoeder.
Horen ze niet dat hij een beetje lallend spreekt? Een kleine beroerte ligt meer voor de hand.
Marion fietst met haar driejarige kleindochter door Haarlem naar het hockeyveld. Ze is er nog nooit geweest en probeert op haar intuïtie Bloemendaal te vinden. Nadat ze iemand de weg heeft gevraagd en de zojuist ontvangen instructies wil opvolgen, zegt Helena: "Nee oma. Het is daar."
Marion is zo wijs haar kleindochter te volgen en komt waar ze zijn wil.
Wat aan de ene kant van het leven snel verdwijnt, komt er aan de andere zijde even vlug bij. Dat is onze troost.



Terug