| Week 06 -2009 Er is niets gênanter dan een arts die over de problemen van zijn patiënten schrijft. Oom dokter vertelt… Over de hoofden heen van de mensen die in hun nood bij je komen jezelf belangrijk maken, terwijl je toch gewoon alleen maar de klusjesman van het menselijk lichaam bent. Dat ik nu toch iets ga schrijven dat plaats vond gedurende het eerste jaar dat ik als huisarts werkte, komt omdat ik door de gebeurtenis onverwacht hevig met mezelf werd geconfronteerd. Een vrouw van mijn eigen leeftijd - dus een jaar of achtentwintig - met een gedoofde blik en een mistroostige gelaatsuitdrukking kwam in korte tijd een paar keer vanwege vage klachten of de snotneus van één van haar drie kinderen op het spreekuur. Op de dokters-MULO was ons geleerd dat als iemand zo vaak komt je moet vragen "wat is er nu echt aan de hand; hoe gaat het thuis?" Enigszins tot mijn verbazing gebeurde er echt wat mijn opleiders hadden voorspeld. Het ging plotseling niet meer over hoofdpijn, haaruitval of slapeloosheid, maar de vrouw begon over haar bestaan te klagen en vooral over de relatie met haar man. Hij had geen werk en wilde de hele dag de liefde met haar bedrijven. Voorzichtig informeerde ik "hoe vaak dan?". Het was meer uit nieuwsgierigheid dan dat het iets bijdroeg aan het vinden van een passende behandeling voor haar probleem. "Drie, vier maal op een dag," antwoordde ze. Daar schrok ik wel even van. Marion en ik hadden slechts één kind, maar er was altijd zoveel te doen, dat er voor een dergelijke topprestatie geen tijd was. Ik adviseerde de vrouw om samen met haar echtgenoot een leuke hobby te kiezen. Wandelen of fotografie. Het zou wel niet helpen, maar in die tijd schreven mijn collega's in zulke situaties standaard Valium voor en dat hielp toch ook niet echt. Misschien zou de vrouw door zo'n tranquillizer voortaan gelaten de marteling ondergaan, maar haar probleem was niet echt opgelost. Hoe vaak is normaal? Daar had ik nog nooit met een ander over gesproken en daarom had ik geen enkel aanknopingspunt. Als je iets niet weet, ga je in je domheid meestal uit van jezelf. Omdat een mens eenmaal per dag naar bed gaat, dacht ik dat het normaal was het eens per vierentwintig uur te doen. Het was niet altijd gemakkelijk om mijn eigen doelstelling ook te halen, maar ik deed mijn uiterste best. Wie schetst mijn verbazing dat ik nu in een medisch vakblad moet lezen dat vaak aftrekken of andere seks tussen je twintigste en je veertigste iets te maken heeft met een grotere kans op prostaatkanker. De kranten hebben het nieuws gretig overgenomen. Leuk voor de lezertjes. Maar wat is 'vaak'? Twee tot zeven keer per week! Heb ik mijzelf dus zonder dat ik het wist naar de ondergang geneukt? Heb ik alles dan toch aan mezelf te danken? Echte bollebozen van de Universiteit van Nottingham interviewden achthonderdveertig mannen over hun intiemste gewoonten. De helft van die mannen had prostaatkanker. Uit de antwoorden blijkt dat mannen het in het algemeen als ze jong zijn vaker doen dan in hun latere leven. Dat klinkt niet echt als een verrassende uitkomst van wetenschappelijk onderzoek. Degenen die 'het' het vaakst gedaan hadden bleken echter de grootste kans te hebben om nu met prostaatkanker rond te lopen. Op oudere leeftijd - na je vijftigste - blijkt het overigens niet meer uit te maken. Dan mag je zoveel neuken als je wilt. Als je het nog kunt tenminste. Het schijnt zelfs goed te zijn tegen de kanker, want dan pomp je alle slechte stoffen uit je lichaam. Wie dus niemand kent om het mee te doen wordt aangeraden het met de hand te proberen. Mocht je dat niet leuk vinden, dan toch maar deze gewoonte oppakken, al was het alleen maar voor de gezondheid. Heren van boven de vijftig, vijf maal per dag verse groenten of fruit en eens per week de hand aan uzelf slaan. Er is overigens geen plaats voor schuldgevoelens als je toen je jong was de beest hebt uitgehangen, want het enige dat die onderzoekers vaststellen is dat er samenhang is tussen de frequente genoegens van de jongeling en het gezwel later. De geleerden geven toe dat het waarschijnlijk is dat het met de mannelijke hormonen samenhangt. Wie veel van die hormonen in het bloed heeft vertoont nu eenmaal een grotere seksuele aandrang. Een overdaad aan die hormonen bevordert eveneens het ontstaan van prostaatkanker. Een plus een is twee. Dus mocht je achtentwintig zijn, ga dan rustig door met wat je gedachten vierentwintig uur per dag domineert. Je hoeft echt niet met de handen boven de dekens te slapen. Hoewel een van de onderzoekers in een interview met een van de Britse kranten vooral wijst op de schadelijke invloed van de zelfbediening - hij adviseert matigheid daarin - is er toch niets om je al te veel zorgen over te maken. Misschien vormen wij mannen met hoge hormoonspiegels gewoon een onderdeel van Darwin's meesterplan. Wij hebben veel hormonen en daarom zijn we gul met het verspreiden van zaad. Daardoor weer zorgen we, als het goed is, voor veel nageslacht. Maar rond ons zestigste levensjaar zijn we volkomen overbodig geworden. Ons zaad is niet goed van kwaliteit meer en we hoeven geen kinderen te verzorgen. Wat doen we nog hier? We moeten plaats maken. Het zal misschien ook wel de prijs zijn die we voor al het genoegen dat we vroeger hebben mogen beleven moeten betalen. Ik vraag me af of de man van die vrouw van dat spreekuur inmiddels al is overleden aan de tumorgroei, en of zij er zelf niet ook aan onderdoor is gegaan. Moet ik voor ze hopen dat ze op tijd samen zijn gaan wandelen en een mooi fototoestel hebben aangeschaft? Terug |