| Week 09 -2009 Het is voorjaarsvakantie en mijn huis is omgetoverd in een kasteel, waar elfen, ridders en prinsessen wonen. Ik word aangesproken met koning, maar dat heeft weinig betekenis, want een vorst is zo'n beetje het laagst in de sprookjeshiërarchie. Je benadert hem voor brood met hagelslag, de verloren schaar of een boodschap die even snel moet worden gedaan. Juist als ik mij terug wil trekken in mijn werkkamer om op mijn hometrainer te klimmen komt de driejarige elf met het verzoek om voor oma even een cassette voor de videocamera te kopen zodat ze een film kunnen maken. "Eerst even trainen," leg ik uit. "Daarna moet ik mijn bloed laten prikken en dan koop ik wat jullie nodig hebben." Het is tijd voor het vaststellen van mijn psa. De vorige keer had mijn bloed zich vergist en veel te hoog aangegeven. Negentien. Het moet omlaag. Bovendien voel ik de noodzaak te bewegen. Ik ben herboren sinds de aanschaf van de fiets die nooit vooruit komt, maar waarop ik dagelijks vele kilometers afleg. Sinds ik door de laffe hielspoor precies een jaar geleden verraden werd en niet meer in het bos mijn rondjes kan rennen, zoekt mijn lichaam naar andere uitdagingen. Dit lijf is gemaakt om te zweten. Op zo'n fiets hoef ik mijn voetzool niet te buigen en ik kan dus zorgeloos vooruit schieten zonder de volgende dag door een vervelende pijn herinnerd te worden aan mijn kwetsbaarheid. Als een beest ga ik tekeer. Vijfenveertig minuten lang. Af en toe kijk ik op de metertjes om te controleren of ik wel snel genoeg ben, wel ver genoeg ga, of mijn hart nog klopt. Als mijn leeftijd wordt gevraagd vul ik veertig in. Anders gaat de machine piepen wanneer ik te snel trap. Het snot komt uit mijn neus, de transpiratie druipt langs mijn lichaam, rondom me vormt zich een meer van ijver. Of het er echt door komt weet ik niet, maar sinds ik dit apparaat heb aangeschaft is mijn zelfvertrouwen toegenomen en mijn neerslachtigheid als vanzelf verdampt. Ik gaf de schuld aan mijn medicijnen, aan het passeren van de zestigjarengrens, aan het getuige zijn van de achteruitgang van mijn schoonvader, maar ik besef inmiddels dat het gewoon gebrek aan uitbundige beweging was. Het is natuurlijk niet zo fijn als rennen. Daarbij kun je je werkelijk terugtrekken in je eigen wereld. De rest van de dag zijn je gedachten nooit langer dan een minuutje van jezelf. Er is altijd wel iets dat de aandacht opeist. Een email die binnenkomt, een telefoon die rinkelt, iemand die tegen je praat. Boven die monotoon rennende benen gaan je gedachten alle kanten op, zijn ze vrij en voel je je volmaakt gelukkig. Dat effect is er op de fiets aanzienlijk minder. Zorgvuldig sluit ik de deur van mijn werkkamer en richt me alleen nog maar op de groter wordende vijver onder me of op de bomen die ik door de ruiten heen buiten zie. Hoewel de fiets die stevig op zijn poten staat nooit beweegt, draait hij per dag ongeveer een centimeter meer in de richting van het venster. Om te voorkomen dat mijn training in conflict komt met de wens met mijn kleinkinderen te spelen, sta ik 's morgens wat vroeger op. Soms zijn ze echter ook wat eerder uit bed. De oudsten zetten de televisie aan en verlengen hun slaapperiode met geestdodende programma's. De jongste wil echter verder met het spel waar we de avond daarvoor mee zijn gestopt. Voorzichtig opent ze de deur. Ik heb pas tien minuten de trappers rondgedraaid. "Koning," zegt ze. "Waar zijn mijn vleugels nou?" Ze zoekt de elfenvlegels die haar grootmoeder met liefde voor haar heeft gemaakt. 's Avonds als ze naar bed gaat legt ze die netjes bij de kleren die ze de volgende ochtend aantrekt. "Dat moet je maar even aan oma vragen," zeg ik. Straks belt de dokter over de bloeduitslag en dan wil ik klaar zijn met mijn rondje om niets. De koning heeft zijn paard bestegen en rijdt weg. De machtige benen stampen. Als er iets is waar de koning trots op is, dan is het op zijn sterke lichaam, zijn getrainde hart dat rustig klopt, het uithoudingsvermogen dat eindeloos lijkt, het lijf van een jonge man die nergens bang voor is. Hij galoppeert door het raam naar buiten, naar een land waar de psa niet bestaat en prostaatkanker nog moet worden uitgevonden. Na een half uur gaat de telefoon. Die heb ik naast me gelegd, want je weet maar nooit wanneer een arts belt. "Ja," hijg ik en verontschuldig me omdat ik bezig ben met droomfietsen. "Dertig," zegt hij. Daarna weet hij het ook niet goed. Er volgen wat woorden die niets meer toevoegen. Teleurstellend. Jammer. Vervelend. Tegenvaller. Ik zie op de meter dat de snelheid wat terug loopt. Dat is de bedoeling niet. "We houden contact," hijg ik en zet in voor het laatste kwartier. Ik ga harder dan ooit op het ros dat me nergens naartoe brengt. Terug |