| Week 16 -2009 We durfden nauwelijks naar Indonesië te vertrekken. Vooral niet toen het Erasmushuis verlangde dat Marion een contract zou tekenen dat als ze plotseling terug zou moeten reizen in verband met de gezondheid van haar vader, ze op zou moeten draaien voor de kosten die gemaakt werden voor het niet doorgaan van vertoning van haar film en de bijbehorende lezing. Wel gaan? Niet gaan? Mijn schoonvader was er echter nog, maakte af en toe onverwacht een grap en we hadden al vaker gedacht dat het niet erg lang meer kon duren. Waarom zou hij niet nog veertien dagen lang in het koninklijke bed in de huiskamer liggen? Krontjong muziek op de achtergrond en veel bezoek. Meestal sliep hij en als hij zijn ogen opende werd hij volgestopt met havermout, krachtvoedsel en gelatinepuddinkjes door mijn schoonmoeder. We besloten uiteindelijk te gaan, maar voor we naar Schiphol reden ging Marion nog bij hem langs en vroeg of hij er alsjeblieft nog wilde zijn als ze terugkwam. Hij huilde uit één oog. Elke dag skypten we twee maal en de telefoon ging nooit uit, ook niet tijdens de lezingen. Mijn schoonmoeder zei iedere keer als we vroegen hoe het ging op opgeruimde toon "goed" en somde op hoeveel hij gegeten had en hoe vaak er ontlasting was geweest. Ik ging twee dagen eerder dan Marion terug naar Nederland en trof op de dag van aankomst mijn schoonvader nog altijd in zijn bed aan. Weer wat magerder, weer wat verder verzwakt, maar nog altijd met een ondeugend lichtje in zijn ogen als hij je aankeek. Zie je wel. Hij was sterk en leefde langer dan we hadden kunnen dromen. "Marion is er overmorgen weer," zei ik. De dag erna belde mijn schoonmoeder me in paniek op. "Hij kijkt zo gek," zei ze. Net na de huisarts kwam ik aan. Die keek me veelbetekenend aan. Mijn schoonvader lag happend naar lucht en buiten bewustzijn in bed. In zijn longen was het vocht dat erin opgehoopt was pruttelend te horen. Het bed schokte bij elke ademhaling. De huisarts gaf morfine, bleef nog even om te zien of mijn schoonvader rustiger werd en zei me te bellen als de toestand verergerde. Alleen met mijn schoonmoeder probeerde ik haar voor te bereiden op het onvermijdelijke, haar duidelijk te maken dat we iedereen moesten waarschuwen en dat ze haar man moest zeggen wat ze altijd had willen doen voor het te laat was. Mijn schoonmoeder negeerde mijn woorden volkomen. Ze stond op om de was uit de droger te halen en daarna om de kopjes af te wassen. "Ik moet iets doen," zei ze verontschuldigend. "Ander word ik mata gelap, dan ga ik het op iemand afreageren." Al snel kwam ze echter terug. Wanhopig probeerde ze lucht in zijn mond te blazen om hem te helpen bij zijn strijd om adem. "Je moet leven," zei ze. "Je mag niet weg. Je moet er zijn op mijn tachtigste verjaardag. We zijn nog niet eens zestig jaar getrouwd." Drie uur lang waren mijn schoonmoeder en ik samen bij mijn zieltogende schoonvader, en hoopte ik enerzijds dat hij niet te lang zou lijden en anderzijds dat zijn kinderen op tijd zouden komen. Afwisselend blies ze in zijn mond, streelde teder zijn wangen, kuste hem op zijn lippen of tikte venijnig op zijn wangen om hem terug te halen. Een drenkeling die gered moest worden. Hij was bezig te verdrinken in zijn eigen lichaamsvocht, stikte omdat hij niet meer in staat was slijm uit te spugen, op te rispen, weg te werken. Wat nog wel werkte waren zijn darmen. Dat roken we. De verpleegkundige kwam om hem schoon te maken. Terwijl ze zijn verzwakte lichaam draaide en keerde gaf hij ineens over. Met het braaksel kwam het slijm dat overal in zijn mond, slokdarm en luchtpijp draden had gevlochten vrij. Ineens leek hij wat meer lucht te krijgen. Hij werd rustiger. Zou hij toch weer opleven? In ieder geval doorgaan tot zijn eigen verjaardag over drie weken? Alex, the come back kid. "Zie je wel," zei mijn schoonmoeder triomfantelijk. "Ik heb hem leven ingeblazen. Hij gaat niet dood. Dat kan niet." De volgende ochtend haalde ik Marion vroeg van Schiphol op. Haar zus was de hele nacht bij haar vader gebleven. 's Avonds kwam haar broer met zijn gezin uit Rome. Haar jongste broer vloog ergens tussen Jakarta en Nederland. Die was niet meer op tijd, want moe van het lucht happen gaf mijn stoere schoonvader in de armen van zijn gezin uiteindelijk de strijd op. Hij hapte plotseling niet meer naar adem en ik voelde zijn pols. Er lag alleen nog een moegestreden vermagerd lichaam in bed. Toen zijn geest er uit was verdwenen herkende ik het bijna niet meer. Mijn prachtige schoonvader was verdwenen. Mijn schoonmoeder geloofde het niet. "Hij leeft nog," riep ze verontwaardigd. De vochtbelletjes in zijn longen knapten en brachten een tikkend geluid voort. Met haar oor bij zijn lippen, bij zijn longen, bij zijn buik probeerde ze bewijs te vinden dat hij er nog was. De huisarts kwam snel. "Hoe kan dit nu zo plotseling gebeurd zijn," vroeg ze hem bijna verontwaardigd. "Zit die kanker dan ineens overal?" "Veroudering," zei hij onhandig, want we wie begrijpt in hemelsnaam nu echt waarom we dood moeten gaan? We weten dat prostaatkanker meestal niet de dood veroorzaakt. Wel de behandeling ervan. Die ondermijnt de kracht in botten, spieren en ingewanden zodat het lichaam het gevecht om te overleven uiteindelijk niet meer aankan. Bijna achtentachtig jaar.... Terug |