| Week 17 -2009 Vanaf het moment dat er prostaatkanker bij mijn schoonvader werd vastgesteld vroeg ik me af of hij bij mij een grafrede zou uitspreken, of ik bij hem. Of ik nu wilde of niet, terwijl ik rende of fietste dacht ik er vaak aan, maar toen ik deze week achter mijn computer ging zitten wist ik niet wat ik op moest schrijven. Het overkomt me niet vaak dat ik naar woorden zoek. Mijn leven lang heb ik me getraind om wat ik wil uitdrukken snel in taal om te zetten. Het is mijn werk. Na tientallen boeken en duizenden artikelen, columns en internetteksten hoef ik mijn toetsenbord maar te bekijken en ik zie de woorden ontstaan. Alleen deze week bleven ze weg omdat er voor ons diepste verdriet geen vorm bestaat. Alleen maar wat woedende krassen op een wit stuk papier. Het hielp dat er voor de crematie veel te regelen viel en ik weggehouden werd van mijn tekstverwerker. We vergaderden over hoe het afscheid eruit zou moeten zien. Foto's van mijn schoonvader kiezen uit de meer dan honderd albums die in een kast van mijn bibliotheek liggen. Daar weer foto's van maken voor een doorlopende vertoning tijdens de afscheidsdienst. Scènes uit Marion's documentaire 'Het land van mijn ouders' selecteren en daar loopjes van maken voor bij de binnenkomst in de aula en een uur daarna het vertrek. Er zouden echte musici komen die CD-muziek overbodig maakten. Die moesten de lievelingsliedjes van mijn schoonvader laten horen. Krontjongmuziek, niets anders. Er moesten na afloop niet alleen koffie en broodjes zijn, maar ook lumpur en spekkoek. Iedereen kreeg taken en Marion regisseerde ons, spoorde ook iedereen aan om een stukje te schrijven en te presenteren. Ze deelde de tijd in. Sommige mensen kregen twee minuten, andere vier minuten. We moesten het vooral erg persoonlijk houden. "Ik zou graag iets willen schrijven over het leven van je vader," zei ik. "Over wie hij was en hoe hij zo geworden is." Mijn schoonvader doe je immers te kort als je niet schetst hoe hij gevangen zat in het verloop van de Aziatische geschiedenis. Het begint met de kolonie waarin hij opgroeide, met het racisme en de discriminatie ten opzichte van wie gekleurd was. Daarna de wereldoorlog van een Aziatisch land tegen de buitenlandse machten. Japan tegen Amerika. Dan de onafhankelijkheidsstrijd van Aziatische landen en vervolgens de massale vlucht van de mensen die daardoor tussen wal en schip raakten. Tenslotte nog de geschiedenis van de aanpassing van de migranten die hun land kwijt waren en een zekere toekomst voor hun kinderen ruilden tegen het opgeven van hun cultuur. Hun herinneringen mochten ze houden en eens per jaar de pasar malam bezoeken, maar niet veel meer dan dat. Mijn schoonvader maakte het allemaal mee. Marion heeft zijn verhalen opgeschreven en 'De stem van mijn vader' is misschien wel het meest indringende. Het Japanse schip de Junio Maru - waarop hij vervoerd wordt om als krijgsgevangene aan een spoorweg door de jungle te werken - wordt per abuis getorpedeerd door een Engelse kruiser. De Japanners worden gered, maar duizenden gevangenen verdrinken. Mijn schoonvader staat op de rand van het zinkende schip maar kan niet zwemmen. Hij hoort een stem die zegt dat hij moet springen. Hij weet zich vast te klampen aan een ronddrijvende kist waar nog elf andere mannen aan hangen. Een nacht lang ligt hij zo in de oceaan en hoort de jongens in vele talen om hun moeder roepen. Dat heeft hij overleefd, maar het kwam vaak terug in zijn dromen. Dat wil ik schrijven. De dag voor de crematie lukt het me tenslotte. Ik lees het voor aan mijn schoondochter om van haar te horen of het wat is. Ze huilt, maar zegt: "Het duurt wel negentien minuten." Vervolgens moet ze een beetje lachen omdat ze weet dat ook ik maar vier minuten heb gekregen van Marion. Ik probeer nog met mijn vrouw te onderhandelen, maar er is geen beginnen aan. 's Nachts probeer ik in te korten, maar het blijft te lang. Met een ongerust gevoel ga ik naar het crematorium. Hoe maak ik van acht minuten tweehonderdveertig tellen? De deur van de familiekamer naar de aula gaat even open. Vanuit de veilige beschutting van de intimiteit van de mensen die me vertrouwd zijn, zie ik een volle aula en vooraan de zwart-wit foto van Jan Banning, die hij maakte voor een reeks over overlevenden van de Japanse kampen. Mijn schoonvader was toen al ver in de zeventig. Met ontbloot bovenlijf en gespannen spieren kijkt hij ons trots en krachtig aan. De door hem zelf gemaakte tatoeage van een hartje met pijl er door heen op zijn bovenarm. Zo willen we hem onthouden en niet als de uitgemergelde man in het sterfbed. Boven die foto zijn de beelden uit de documentaire te zien: mijn schoonvader fiets door de Hollandse mist naar ons toe. De zangeres zingt Terang Bulan. Eenmaal binnen zie ik nog beter dat we mede door de strenge regie van Marion samen een kunstwerk hebben gemaakt voor mijn schoonvader. Terwijl ik mijn tekst voorlees weet ik nog de helft uit wat ik op papier heb gezet weg te laten en zo lukt het me om me aan de opdracht van Marion te houden. Zijzelf heeft maar een minuut nodig om een gedicht voor te lezen dat ze die nacht heeft gemaakt. "Lieve papa, ik wou dat ik uw innerlijke schoonheid had." Op het scherm danst mijn schoonvader gracieus voor een schilderij met rijstvelden en vulkanen zoals hij dat ooit in de kampong in zijn geboorteland deed. Zijn verlegen lach, de vonk in zijn ogen. Is het door de schoonheid van de dienst dat ik huil? Kunnen wij mensen huilen over het amorfe verdriet doordat we er vorm aan hebben weten te geven? Moeten we daarom voortdurend scheppen om te zorgen dat de schoonheid ons niet ontsnapt, maar ons kan troosten - zelfs in het geringste, zelfs in de herinnering eraan - met de lelijke werkelijkheid? Terug |