| Week 30 -2009 "Waar zitten de oogjes?" vraagt Helena. Op Marion's bord ligt een kreeft en mijn kleindochter kan haar ogen er niet vanaf houden. "Net een spin," zegt ze. Elders in het restaurant staat een aquarium waarin de dieren nog in levende staat te zien zijn. Zeker een kwartier lang kijken we nieuwsgierig hoe de kreeften zich proberen te verplaatsen, over elkaar heen willen kruipen, maar steeds weer terugvallen. Komt dat door de blauwe tape die rond hun scharen zit? Voor deze dieren is het leven bijna voorbij. Ze weten het zelf niet, maar ik wel en Helena begint iets te vermoeden. "Kijk," zeg ik. "Daar vooraan. Dat zijn denk ik zijn oogjes en daarnaast zitten de voelsprieten. Daarmee kan hij voelen waar hij is. Kreeften leven in de zee." Het verbaast mijn kleindochter dat wat zonder water op Marion's bord ligt, uit de zee komt en hier ondergedompeld en ingetapet bewaard wordt. "Het is een onderwaterkreeft," concludeert ze. We keren terug naar ons tafeltje. Ondanks een uitgebreide zoektocht op Marion's bord vinden we daar niets wat op ogen lijkt. "Ik denk dat ze de kop eraf hebben gehaald," zegt Marion geruststellend. Helena wil nog even terug naar het aquarium om de levende staat van een kreeft te vergelijken met de dode. Waarom liggen die beesten allemaal in één hoek, soms boven op elkaar en waarom lukt het ze niet om daar weg te komen, hoewel ze toch wanhopig met hun poten door de lucht bewegen? Is dit een familie en zorgen ze voor elkaar? Ik kan geen antwoord op haar vragen geven. Er zijn slechts raadsels en paradoxen. Elke vorm van logica die we menen te zien in wat er rondom ons en met ons gebeurt is een menselijke constructie, die we toevoegen aan onze observaties. De mens kan niet leven in chaos en ordent. Hij moet wel, of hij nu wil of niet. Het wilde denken beangstigt. In plaats van ons over te geven aan het leven, observeren we het en benoemen alles net zo lang tot het zin heeft. Een leven lang zoeken we de betekenis, raken depressief als we hem niet vinden en wanhopig als het anders is dan we hoopten. Waarom krijgt bijvoorbeeld de een prostaatkanker en de ander niet? Waarom is de een er op tijd bij en de ander niet? Waarom gaat de een er snel aan dood en de ander niet? Het is het beste om je hersenen opdracht te geven met hun werk te stoppen en je over te geven aan de wanorde van het toeval. Laat maar. De krampachtige pogingen om het lot te controleren zijn nu eenmaal gedoemd te mislukken. Na het eten blijven de kreeftresten achter op het bord. Afgebroken poten, kapot geknepen scharen en een leeg karkas. Helena wil nu naar de zee. Voorzichtig loop ik achter haar aan over het strand, wil niet dat het fijne zand in mijn schoenen glipt, want het geeft zo'n ergerlijk gevoel tussen de tenen. Zij wil naar het harde zand vlak bij de zee. Het losse zand dat we over moeten steken vindt ze maar niets, want het gaat haar niet snel genoeg. Op de plek waar water en strand elkaar raken aangekomen trekt ze onmiddellijk enthousiast haar kleren uit. De zon staat al laag en kleedt ons in goud. De lucht is nog lauw. "Je kunt je onderbroek wel aanhouden," zeg ik, maar daar heeft ze geen zin in. Alles uit. Ze rent naar de zee en gaat er met haar voetjes in staan. Telkens als er een golf aankomt rent ze lachend weg en doet of ze bang is. Telkens ook keert ze weer terug naar die enge zee. Wat als ze iets te ver gaat? Ik trek voorzichtig mijn schoen uit en stop mijn sokken erin zonder dat ze vies worden. Daarna rol ik mijn broekspijpen op en ga naast haar staan. Ze geeft me een hand en samen wachten we de golven af. Daar komt er een op ons af. Wegrennen! Ze lacht haar kleutertanden bloot en ik lach mee. Ik ben snel genoeg geweest en mijn broek is nog droog. Vervolgens lopen we terug naar het gevaar. Daar komt alweer een golf aan. Iets hoger deze keer en ik kan niet voorkomen dat mijn broek nat wordt. Ik trek hem over mijn lelijke spataderen omhoog tot boven mijn knieën. Het kan me niets meer schelen en ik zal me net als mijn kleindochter overgeven aan het spel met de risico's van de oceaan. Wat kan er gebeuren? "Ga jij maar naar het vaste zand," zegt Helena zorgzaam. "Anders word je nog helemaal nat." Terug |