Week 41 -2009
Achter me hoor ik iemand met een diepe stem en Amerikaanse accent zeggen: "These banks are mortherfucking you." Ik kijk om en zie een man met een sigaar tussen de lippen, die te groot lijkt voor de fiets waarop hij langzaam rijdt en een telefoongesprek voert. Mijn verbeelding heeft hem onmiddellijk een plaats en een eigen verhaal gegeven. Battery Park, New York; een werknemer van een financiële instelling getroffen door de crisis en nu zonder baan. Ongeschoren. Kankerend rijdt hij op zijn fiets met teveel versnellingen langs de Hudson omdat hij toch nergens naartoe hoeft. Zojuist heeft hij een nieuw woord voor het Amerikaanse taalgebied gevonden zonder dat hij het zelfs beseft. In een handomdraai heeft hij het scheldwoord motherfucker veranderd in een werkwoord. "Zit me niet te klootzakken". Zolang mensen met taal nog iets bijzonders van de beschrijving van hun lot maken, bewijzen ze hun vitaliteit.
Kan ik dat ook? De woorden die mijn bestaan zijn gaan domineren de baas worden door ze een nieuwe betekenis te geven?
"Ik word gepee-es-aaid." Dat zou moeten beschrijven dat ik gereduceerd ben tot een bloeduitslag die steeds maar weer wordt gecontroleerd om te zien hoe ver ik op weg ben naar het einde.
"Ik ben aan het 'prostaatgezwellen',": zeuren, het ding groter maken dan het is, groter dan mijn leven, groter dan de lach waarmee ik zeg dat het goed met me gaat. Die is inmiddels verstard tot een grimas zoals ik die van de week ook zag op een youtube-fimpje, een collage van 158 Obama-foto's waarop de president van de Verenigde Staten telkens te zien is met de zelfde vriendelijke gezichtsuitdrukking. Al na een paar tellen geloof je die lach niet meer.
"Laat mij maar gewoon een beetje prostaatkankeren." Dat is niet gewoon kankeren, borstkankeren of darmkankeren, maar pissig je hele bestaan laten overwoekeren door altijd maar bezig te zijn met een gezwel dat je niet kunt betrappen, maar toch steeds behandeld moet worden omdat je anders het allerergste zal overkomen.
Vermoedelijk verdien ik geen plek in de grote van Dale met het woord 'prostaatkankeren'. Ik neem aan dat er meer mensen dan ik alleen dit woord moeten gebruiken om het een plaatsje in onze nationale vocabulaire te geven.
Prostaatkankeren is een proces dat vergelijkbaar is met een uitzaaiing doen ontstaan in het privé-domein van de verbeelding. De wildgroei zit niet zo zeer in die prostaat, maar heeft zich uiteindelijk in mijn gedachten genesteld. Wat ik ook doe om te vergeten dat een orgaan in mijn lichaam getroffen is door ongewenste nieuwvorming, het lukt me niet. Er is een arts geweest die het woord gebruikt heeft en nu zit dat besef voor altijd in me verankerd. Nooit meer zal ik me kunnen bevrijden van dat woord. Het allerliefst zou ik onnozel willen zijn en doen of ik het niet weet, gewoon doorgaan met wat ik altijd deed, maar daar ben ik net wat te oplettend voor geweest op het moment dat de medische alchemist de veertien letters in een woord veranderde. Toch lukt het me vaak en hoef ik er alleen 's morgens als ik mijn pilletjes slik aan te denken. Soms zelfs dat niet eens en slik ik die pilletjes omdat ze bij de dagelijkse ochtendroutine van espresso en een broodje met zalm, mierikswortel en kappertjes horen. Het is echter onmogelijk om altijd op te letten en buiten de deur te houden want er is telkens wel ineens iets dat me eraan herinnert. Bijvoorbeeld een dikke Amerikaan op een fiets die een woord gebruikt dat ik nog niet ken.
Mensen zijn dieren die denken en - wat nog belangrijker is - woorden gebruiken om betekenis te geven aan wat eigenlijk zonder betekenis is.
Terwijl ik door New York loop vraag ik me af of dit een soort ererondje voor me is. Hoe vaak zal ik hier nog komen? Nog één keer de greatest hits uit de sound track van mijn leven beluisteren. Niet iets nieuws ontdekken, maar door de straten lopen die ik al ken en eten in de restaurants waar het eten goed was, om te proberen het zelfde gevoel op te roepen dat ik bij eerdere gelegenheden ervoer.
Toch is het karakter van mijn reizen veranderd sinds het woord mijn leven binnen is geslopen, want ik ben nooit meer alleen. Altijd word ik vergezeld van de kanker die zich niet vertoont, die ik probeer voor te blijven, me niet in te laten halen, maar die toch al in Isfehan is, terwijl ik nog niet eens door heb dat ik op weg naar die stad ben.
Ik had die man op de fiets achterna moeten rennen. Hij ging toch niet zo snel. Ik had hem moeten zeggen: "It's not the banks. We men are motherfucked by our own prostatecancering. Believe me. Sooner or later everyone of us will find that out."



Terug