Week 45 -2009
Mannen die zittend werk doen hebben 30 procent meer kans om prostaatkanker te krijgen dan mannen die de hele dag lichamelijk bezig zijn. Op de website van de Daily Mail waar ik het bericht lees zie ik een levendige gedachtewisseling tussen een postbode die spottend laat weten er elke dag opuit te gaan behalve op dagen dat er gestaakt wordt en dat de rijke heren het dus helemaal aan zichzelf te danken hebben, en een man die schrijft dat het voor iemand die de post rondbrengt nu eenmaal niet gemakkelijk is een ingewikkelder zittende baan te krijgen, waarbij de voordelen van goedbetaald, uitdagend werk ruim opwegen tegen de nadelen. Engeland is altijd een klassenbewust land geweest. Laat ze maar. Wat moet ik als schrijver echter met zo'n nieuwsbericht? Woorden op papier zetten is namelijk wel eenvoudig werk, maar het kan vanwege de introductie van de tekstverwerker allang niet meer staande zoals in de middeleeuwen gedaan worden. Toen stonden de monniken terwijl ze de bijbel overschreven.
Deze week zat ik helemaal niet achter mijn bureau, maar ergens in een sloppenwijk in Manilla. Zelf had ik niet gedacht dat ik zulk werk ooit weer zou doen. Het leven is immers kort en voorbij voor je er erg in hebt. Daarom had ik een paar jaar geleden vrij resoluut besloten dat ik de wereld niet langer hoefde te redden, maar meer tijd met de kleinkinderen door wilde brengen en vaker met Marion op stap gaan. Het was waarschijnlijk ijdelheid dat ik me toch liet overhalen om bij een onderzoek in de verre wereld betrokken te zijn. Dat is namelijk één van de aspecten van het repareren van globale catastrofes. Je voelt je reuzenbelangrijk. Wel even iets anders dan een lezing in het buurthuis.
Daar kwam nog iets anders bij. Door het stoppen van mijn activiteiten leek het of ik me had neergelegd bij het feit dat mijn leven zo'n beetje was afgelopen De tijd van de afronding was aangebroken. Ik wachtte en wachtte, maar de grote weldoener vindt blijkbaar dat de tijd van gaan nog niet is gekomen. Tenslotte loop ik nog steeds rond. Laat ik maar doorgaan met wat ik deed. Daarom stapte ik weer in het vliegtuig.
Op straat in Manilla roepen de kinderen 'Lolo'. Dat betekent grootvader en hun moeders doen hun best ze te verontschuldigen door me uit te leggen dat het komt door mijn witte haar. Ik vind het leuk dat mijn eigen kleinkinderen me opa noemen, maar dit? Opa of ouwe omdat mijn haar wit is geworden, terwijl ik dacht dat ik nog een jonge god was? Bij de kapper in de hoofdstad van de Filippijnen kijk ik eens goed in de spiegel en moet toegeven dat mijn haar inderdaad zo wit is geworden dat het niet meer afsteekt bij het laken dat om mijn nek is geslagen. Mijn niet herstellende hielspoor, de pijn in mijn versleten heup, en de last van mijn door de bestraling beschadigde darmen maken me op weer een andere manier duidelijk dat mijn lichaam in verval is.
Wat dat betreft onderscheid ik me niet van deze stad. Manilla betekent een eeuwige file van jeepney's, bussen, vrachtwagens en taxi's. De wegen zijn als de bloedvaten van iemand met ernstige aderverkalking. Het stroomt al tijden niet meer lekker en elke kleine opstopping zorgt voor TIA's en infarctjes in de stad. De uitlaatgassen en het vuil langs de wegen benadrukken dat niets meer onderhouden kan worden. Een mondkapje helpt niet meer. De bewoners hebben energie en hoop laten varen. De hele nacht is er lawaai van dronken mensen, die zingen en ruzie maken, waardoor de stad nooit meer genoeg nachtrust krijgt. Er is nooit meer een volgende dag waarop alles anders zal gaan. Op een dag geef je het gevecht tegen de aftakeling op. Alleen de moeheid rest nog. Huizen en vervoermiddelen zijn in vrolijke kleuren geschilderd, maar het is de make-up die ervoor moet zorgen dat niemand ziet dat de stad rimpels en puisten heeft gekregen en het verval niet meer te verbergen is.
Het deel van de stad waar ik moet zijn loopt bij vloed af en toe onder omdat de armen nu eenmaal wonen in de stadsdelen waar niemand anders wil leven. De bewoners hebben leren omgaan met natte voeten. De orkanen die in oktober en november de eilanden geselen en voor nog meer wateroverlast zorgen, brengen grote problemen met zich mee. In de nacht sluipt het de huizen binnen en stijgt het water voortdurend. De moeders van de kinderen die me 'lolo' naroepen vertellen dat hun huilende, slaperige kleuters naast elkaar op tafel moeten slapen omdat het water al zo hoog staat dat ze met hun hoofd er niet meer bovenuit komen. Het blijft maar stijgen en de vrouwen moeten 's nachts waken om te controleren of hun kleintjes bij een onverwachte beweging niet van de tafel vallen en verdrinken. Het is relatief gemakkelijk omdat het moeilijk is om in te dutten terwijl je op een stoel zit waarbij je billen door smerig water omspoeld worden.
Ik ben inmiddels weer thuis en zit achter mijn werktafel. Mijn risico is niet dat ik in slaap sukkel en verdrink, maar dat ik kanker krijg van het zitten op een droge stoel.



Terug