| Week 50 -2009 De man op de radio legt uit wat seksverslaving is. Hij heeft een praktijk waar hij mannen behandelt met buitenissige belangstelling in de vleselijke geneugten en zegt dat hij in 80% van de gevallen succes met zijn aanpak heeft. Een deel van de mannen die hij ziet kan van geen enkele vrouw afblijven. De rest van zijn patiënten bekijkt porno. Volgens Canadese wetenschappers zijn voor het doen van onderzoeken geen mannen te vinden die niet naar porno kijken. Vrijgezelle mannen kijken gemiddeld drie maal per week 40 minuten. Mannen met een relatie gemiddeld 1,7 keer 20 minuten. Statistisch gezien zijn mannen tien jaar oud als ze met deze hobby beginnen. Als ik het verhaal van de seksdokter en van de Canadese onderzoekers combineer moet ik waarschijnlijk concluderen dat alle mannen ziek zijn. Dat hebben ze overigens helemaal niet door, want het zijn de partners die hun man meeslepen naar de therapeut. Drie op de vier relaties gaan uiteindelijk toch mis door de seksverslaving. De expert klinkt zo overtuigd van zijn eigen gelijk dat het onmogelijk wordt om nog een andere visie te hebben op het ontstaan van seksverslaving of pornodwang. Alsof niet sowieso in Nederland één op de vier huwelijken in scheiding eindigt. Het blijkt allemaal te wijten te zijn aan de minderwaardigheidsgevoelens van de man, waardoor hij telkens opnieuw moet jagen en bewijzen dat hij toch iets voorstelt. Het heeft niets met seks te maken, maar met veroveren. Seks is alleen maar het bewijs van de overgave. Gelukkig maar. Het geeft dus niet dat je seks een prettig tijdverdrijf vindt, dat je er vaak aan denkt en dat je geen gelegenheid voorbij laat gaan om ervoor in vorm te blijven. Als je maar monogaam blijft en de 1,7 keer 20 minuten niet te boven gaat. Heel even was ik bang zelf ook een probleem te hebben. Mannen met prostaatkanker hebben misschien ook niet zo veel zelfvertrouwen. Als plassen, poepen en neuken moeilijk wordt, waar kun je dan nog trots op zijn? Gaan die zich ook meer laten gelden? En hoe doen ze dat dan? Het Prostaatkankerlogboek is verschenen en ik ontving het deze week. Het lijkt me een nuttig boek voor de beginnende prostaatkankeraar. Als eerste sla ik het open op pagina 164: impotentie. Impotentie tast de mannelijkheid aan en het idee dat je als een gezonde man kunt functioneren. Aandachtig lees ik de tekst, op zoek naar belangrijke tips voor overleven met een gezwel. Veel mannen voelen zich oud, onzichtbaar of waardeloos als ze horen dat er een tumor in hun prostaat huist. Stoere mannen die zich aan hun mannelijkheid 'vast willen houden' - ik probeer bij de woordkeuze van de auteur me maar niet al te letterlijk voor te stellen wat hij bedoeld heeft - lijken er het meest last van te hebben. Stoere mannen houden van agressie, competitie en vechten tegen mensen die hen in de weg staan. Nu raak ik even de weg kwijt. Heeft de schrijver het over prostaathooligans? Kent hij persoonlijk zulke 'stoere mannen'? Gelukkig zijn volgens Het Prostaatkankerboek de meeste mannen minder stoer. Ze zijn wel even gekwetst door het verlies van de mannelijkheid, maar leggen zich er uiteindelijk bij neer en vinden praktische oplossingen voor hun potentieprobleem. Er staan ook interviews in Het Prostaatkankerboek. "Tegenwoordig mag ik over de potentie niet klagen, tenminste niet als ik het met collega's vergelijk." De eerste vraag die bij me opkomt is wat die man precies voor werk doet. Wat vergelijken ze bij hem op kantoor? Vervolgens zou ik willen weten of het hier om een stoere man of een minder stoere man gaat. Wat bedoelt hij trouwens met 'niet klagen'? Zijn vrouw is een stuk realistischer over het seksleven van de gemiddelde prostato: "Dan willen ze het toch proberen. Of het nog werkt. Koste wat het kost. Uitproberen. Maar zo langzamerhand merk je dat het niet meer werkt." De vrouw gebruikt overigens het woord 'ze' niet omdat ze meerdere echtgenoten met prostaatkanker heeft, maar ze is lid van een lotgenotengroep. Daar hoort ze de andere vrouwen ook klagen over hun mannen. Zij blijkt zich er dan ook allerminst mee te hebben verzoend, want ze mist de intimiteit. Af en toe vraagt ze of hij zijn arm om haar schouder wil leggen. Dat mist ze. Hij verdedigt zich door op te merken dat hij nooit zo'n lover is geweest, maar - zegt hij - ze gaan toch drie keer per jaar op vakantie. Wat wil je dan nog meer? Is dat waar de liefde uiteindelijk op uitdraait, of je nu kanker hebt of niet? Twee hormonaal uitgebluste eenzame mensen in een huis met alleen nog herinneringen. Sla je armen om me heen. Zeg dat je van me houdt. En zorg dat ik me mens voel, deel van de gemeenschap, de club van jou en mij. Wat is het handig dat we die prostaatkanker de schuld kunnen geven van het uiteindelijk menselijk tekort en we er zelf niets aan kunnen doen. Het komt door de therapie en het geknoei met de hormonen. Daardoor is alles zo veranderd. Nee; niet alles, hij is veranderd. Als het op seks en intimiteit aankomt doen mannen het altijd verkeerd en het begint al als ze tien zijn. Kan het niet zo zijn dat bij mannen met prostaatkanker het verouderingsproces - geholpen door de behandelingen - in sneller tempo verloopt dan bij anderen? Dat hij ook eerder uitgeblust is dan zijn echtgenote? Ik bedenk me dat mannen met het gezwel op de verkeerde plek mogelijk iets hebben aan de therapieadviezen van de seksverslavingsdeskundige die pedant via de radio zijn inzichten met ons deelt. Hij heeft om eerlijk te zijn een verrassende aanpak. Ga werkjes doen die je lang hebt uitgesteld. Vakantiefoto's inplakken. Ga je bankafschriften ordenen. Ga erop letten dat je je netjes in het verkeer gedraagt. In de tuin werken. Je zult je tevreden voelen door wat je bereikt hebt en dan verdwijnt de behoefte om je te bewijzen en te laten zien dat je je mannetje nog altijd staat. Heren, daar begint het. In het kleine: de tuin, de afschriften, het verkeer, en vooral die arm om haar schouder. Terug |