| Week 52 -2009 Mannen die horen dat bij hen prostaatkanker is vastgesteld hebben elf keer zo veel kans om in de week daarna te sterven aan een hartinfarct. Dat geldt vooral voor jonge mannen en voor degenen zonder hartproblemen. Het leven is soms wreed: dood gaan voor je echt van je gezwel hebt kunnen genieten. In de krant waarin ik het artikel lees is bij het bericht een foto geplaatst van een man met grijs haar in wit sportshirt en een te kort broekje van glimmend materiaal die door de knieën is gezakt en naar zijn borst grijpt. Zijn gezicht is verkrampt en in zijn rechterhand heeft hij ook nog een gewichtje. Het werkt op mijn lachspieren omdat de man op verzoek van de fotograaf een weinig overtuigende poging doet doodsangst op zijn gelaat te toveren. Zou die man trouwens niet beter naar zijn prostaat kunnen grijpen? Dat is immers de boosdoener. Niet zijn trouwe hart. En waarom was hij aan het sporten in die week nadat hij bij zijn uroloog was geweest? Moet hij niet vervuld van zelfmedelijden met zijn hoofd in zijn handen aan de keukentafel zitten? Het is overigens heel verstandig van hem, want er zijn maar weinig dingen die je zelf kunt doen om misschien nog een beetje invloed te hebben op wat er met je gaat gebeuren als eenmaal het toverwoord is uitgesproken. KKKKKKKanker. Voldoende lichamelijke inspanning. Artsen vertellen je daar zelden over want die krijgen van de artsenbezoeker alleen maar kopietjes van artikelen over de effecten van de pillen die de hormoonhuishouding stil leggen. Ze bezoeken congressen waar de robotoperatie gedemonstreerd wordt. Wie legt onze dokter eens uit dat lichamelijke beweging belangrijk is, zodat hij het ons kan vertellen? Het is meerdere keren wetenschappelijk aangetoond. O ja, ik weet ook wel dat er veel onderzoeken gedaan worden die het niveau van een telefonische enquête niet overstijgen. Het is vulstof voor de kranten. Een van de bestanddelen van bier zou gunstig zijn om vergroting van de prostaat te voorkomen. Zes koppen koffie per dag zou helpen om in geval van prostaatkanker nog wat langer te leven. Dergelijk onderzoek is uitgevoerd bij ratten of bij zulke kleine groepen mannen dat de uitkomst helemaal niets betekent. Logisch dat de uroloog niet adviseert een espressomachine aan te schaffen en dat de ziektekostenverzekering ook niet bereid is dat te vergoeden. Niet gek dat we niet de raad krijgen om een krat bier per dag te nuttigen. Jammer voor de bierliefhebbers. Overigens, toen ik nog een jongen was, kwam bij ons thuis op verjaardagen een soldaat in een rolstoel. Mijn vader was vrijwilliger om oorlogsinvaliden naar belangrijke voetbalwedstrijden of de Snip en Snap revue te vervoeren. Zo waren ze bevriend geraakt. Mijn moeder wist dat voor Jan altijd een krat bier klaar moest staan, want zijn nieren waren door granaatscherven beschadigd en van zijn specialist moest hij daarom veel drinken, bij voorkeur bier. Hij was eigenlijk de enige waarover ik ooit gehoord heb dat bier drinken goed voor hem was. "Zet maar naast mijn rolstoel neer, anders moetje steeds lopen," zei hij behulpzaam tot mijn moeder. Als hij door zijn krat heen was, vroeg hij aan haar "Heb je nog wat?" Voor mannen met prostaatkanker is er echter maar één leefregel waarvan werkelijk bewezen is dat het nut heeft: sporten. Daarom probeer ik het elke dag te doen. Jammer dat de hielspoor het onmogelijk maakt om nog te rennen. Vervelend dat mijn versleten heup van mijn oefeningen op de hometrainer een pijnlijke exercitie gemaakt heeft. Ik negeer het en stap toch op, maar moet me over heel wat weerstand heen zetten. Het gaat niet meer zo snel en ook kan ik het niet zo lang meer. In zeker zin is het ironisch dat ik, die zo van sport hou en weet dat ik het moet doen, elke dag, zoveel moet overwinnen voor ik op die stilstaande fiets stap. Bang voor de pijn. Ik vertel het aan iemand, maar in haar ogen lees ik dat ze vindt dat ik een zeurpiet ben. "Komt zeker door die hormoontherapie," hoor ik haar denken. Het is beter dat ik er maar niet meer over praat en ook moet ik zorgen dat niemand kan zien dat het lopen niet zo gemakkelijk meer gaat, vooral het trappen lopen. Als er niets te zien is, is er ook niets aan de hand. Le mouvement cést la vie. Eigenlijk weet iedereen dat. Ook mijn schoonmoeder. Na het overlijden van haar echtgenoot doet ze erg haar best om de draad van het leven weer op te pakken, maar centraal staat toch de man die er niet meer is. Ze durft zijn afwezigheid niet te lang alleen te laten en wil snel terug naar huis waar de foto's in alle hoeken van de kamer staan. Daarop glimlacht hij naar de fotograaf, iets dat hij toen hij nog leefde misschien iets te weinig naar haar deed. Gedurende de twee jaar dat ze voor hem gezorgd heeft kon ze niet meer naar de bejaardengym en ook tennissen kwam er niet meer van. Als ze weg was begon hij haar al te roepen. Zelfs een halfje bruin kopen werd moeilijk. De enige lichamelijke beweging die ze nog had was het wassen en ophangen van de lakens als hij het in zijn broek had gedaan. Nooit meer sport en in korte tijd werd ze kortademig en kreeg bloed verdunnende medicijnen. Nu kan het weer, maar wil haar lichaam niet meer meewerken. Boven, bij haar thuis staat net zo'n hometrainer als ik heb. Het is ooit voor mijn schoonvader gekocht, maar door hem nooit gebruikt. Nu klimt zij erop, elke dag. Klein vrouwtje. Kan ze wel bij de trappers? "Als ik maar honderd keer rondtrap," zegt ze. "Dan heb ik tenminste weer wat gedaan." Verloopt het gevecht om te overleven zo? Begin je met vijfenveertig minuten trappen zo hard je kunt en ben je uiteindelijk blij dat je de trappers nog een paar keer rond krijgt? Terug |