| Week 06 -2010 Haar hulp in de huishouding is al lang niet meer geweest, maar mijn schoonmoeder wacht geduldig, want het zwangerschapsverlof van de zevenentwintigjarige thuishulp zal nu toch wel snel voorbij zijn. Ze is tachtig, woont alleen, is invalide, kan niet eens de telefoon lang vasthouden en heeft die juist zo nodig omdat ze wil praten over de man die in haar armen overleed na negenenvijftig jaar huwelijk. Vertellen over hem deed ze ook zo graag aan die hulp. Een kopje koffie erbij. Lange gesprekken waarbij mijn schoonmoeder vooral aan het woord was. Als mijn schoonmoeder haar opbelt krijgt ze een ingesprektoon, alsof de hulp van de aardbodem verdwenen is. We moeten het niet wagen ons ermee te bemoeien en te zeggen dat ze gewoon een nieuwe hulp moet nemen of haar thuiszorgorganisatie vragen een andere te sturen. "Wie zegt dat zo'n meisje nog terug wil komen?" vragen we. "Die wil misschien iets anders." "Jullie denken zeker dat ik dement ben," zegt ze scherp. "Ik heb vier kinderen opgevoed met die polioarm van me." Steeds meer details weet ze te vertellen over haar eerste ontmoeting met de man van haar leven en wat ze in die periode samen deden. Ze leest ook alles wat ze over die tijd kan vinden. Gelukkig is er veel over het Nederlands Indië van vlak na de tweede wereldoorlog. De oorlog was voorbij en ze hunkerden naar een nieuw begin, maar het viel erg tegen omdat de bewoners van het land vonden dat ze geen Nederlanders - zelfs geen Indo's - nodig hadden om de baas te spelen. Uiteindelijk besloten ze naar Nederland te gaan, maar daar was het nooit zoals in het tropische paradijs dat ze achterlieten. Vlak voor en vlak na mijn schoonvader overleed waren er zoveel mensen die langskwamen, maar het wordt stiller. Mocht iemand zeggen dat het verdriet wel weer slijt, dan kan hij rekenen op een verwijtende blik. Haar wereld wordt steeds kleiner. De herinneringen aan de zon van ooit, de fysiotherapie, de mevrouw van de trombosedienst die weer mis heeft geprikt is wat er nog rest. Ze doet vreselijk haar best om weer een sociaal netwerk op te bouwen, maar als ze naar de gymclub geweest is dan doet de volgende dag haar hele lichaam pijn. Daar is ze mee gestopt. Tennissen is door haar handicap niet langer mogelijk. Af en toe klimt ze op de hometrainer, maar als ze vijftig keer de trappers heeft rondgedraaid is ze buiten adem en die fietsmachine zegt niets terug. Als er Indische middagen in de omgeving zijn bezoekt ze die, maar het liefst gaat ze naar die bijeenkomsten waar men ook haar man heeft gekend. Over hem wil ze praten en andere onderwerpen boeien haar maar korte tijd. Door dichte sneeuwbuien heen gaat ze naar een dorp vijftien kilometer verder omdat ze de Indische bingo niet wil missen. Daar is de mevrouw die samen met mijn schoonvader de risolles tijdens de bijeenkomsten verkocht. Met haar kan ze over hem praten. Helaas blijkt het evenement niet door te gaan. Iedereen is op tijd gewaarschuwd, behalve juist zij. Van de beheerder van het gebouw mag ze binnen op een bankje zitten wachten tot de regiotaxi haar weer komt halen. Wij bezoeken haar vaak, maar vaak is nooit genoeg als je eenzaam bent. De laatste drie jaar dat ze hem verzorgde waren zwaar en in die tijd ontwikkelde ze de gewoonte om als ze er niet meer tegen kon de krontjong of Hawaï muziek zo hard te zetten dat ze haar eigen gedachten overstemmen. Nog steeds doet ze dat en op de hoek van de straat weet je daardoor al dat ze het weer moeilijk heeft. Als we niet in staat zijn langs te gaan skypen wij haar 's avonds na het eten. De avonden zijn immers het eenzaamst. Dan praat ze en praat ze en vertelt alles wat ze al eerder heeft verteld. Het woord prostaatkanker valt nooit, want het is zo onbelangrijk wat haar man heeft weggenomen. Marion en ik wisselen elkaar af bij het scherm van de laptop terwijl mijn schoonmoeder verder praat. Een uur luisteren we al. Het is alsof ze bang is dat we de verbinding verbreken. Soms slikt ze haar tranen weg of staart ineens naar iets dat wij niet kunnen zien. "Waar kijk je naar?" vraag ik. "Ik weet niet wie die foto heeft gemaakt," antwoordt ze. "Dat papa en ik dansen. Hij hield niet zo van dansen, maar daar deed hij het toch maar mooi met mij." Vergeten is de jaloezie als hij met iemand anders de foxtrot deed. Haar eenzaamheid is oorverdovend. Ik zie de bedroefdheid in Marion's ogen. Is dat wat er gebeurt als eindelijk de prostaatkanker gewonnen heeft? "Als ik er niet meer ben, moet je ergens anders gaan wonen," zeg ik tegen haar. "New York. Bali. Rome. Het geeft niet waar. Op een plek waar je alles opnieuw moet gaan ontdekken. Je vindt een plek om te ontbijten en daar ga je 's morgens naartoe om een espresso te drinken. Je leert nieuwe mensen kennen. Je gaat daar schrijven. Gewoon het mooiste boek dat je ooit hebt gemaakt. Over hoe fijn het leven is. Schrijf een boek waardoor mensen vertederd glimlachen, soms een traan op voelen komen. Verander de werkelijkheid in een gedicht. Maar blijf niet hangen in het leven dat we samen hadden, want dat is dan voorbij. Niemand kan je helpen om dat vast te houden. Zelfs je kinderen en kleinkinderen niet." Ze kijkt me aan met de blik die ik ook van haar moeder ken. Haar ogen zeggen "Bemoei je er niet mee. Ik doe het wel op mijn eigen manier". Terug |