Week 08 -2010
Ze is soms zo druk met spelen dat ze vergeet naar de wc te gaan. Als ze een beetje in haar broek plast negeert ze het. Mochten we het merken, dan zegt ze "niet aan mama vertellen hoor". Ze wil flink zijn, een groot meisje van vier.
"Het geeft toch niet," zeg ik, "het is maar een klein ongelukje."
'Waarom hebben grote mannen nooit kleine ongelukjes zoals kleine meisje?' denk ik als ik op de parkeerplaats voor lang parkeren bij Schiphol tussen twee auto's op mijn hurken zit. De onbedwingbare aandrang kwam ineens op en ik moest eerst nog snel een parkeerplek vinden, maar het was er zo vol. De openstaande deur van mijn auto biedt me enige bescherming. Een volle gezinswagen rijdt voorbij, stopt even verderop en rijdt terug. Ik kom half omhoog zodat onder het autoportier niet zichtbaar wordt wat ik daar aan het doen ben en doe alsof ik iets in de auto zoek, broek nog op de knieën. De chauffeur kijkt naar me en maakt een gebaar om te vragen of ik vertrek. Met mijn vriendelijkste glimlach schudt ik mijn hoofd.
Bij het inchecken durf ik niet in de rij te gaan staan omdat ik bang ben dat het te ruiken is. Welke idioot heeft het toch in zijn hoofd gehaald te beweren dat prostaatkanker een zegen is? De Amerikaanse prostaatkankeronderzoeker Stephen Strum schrijft: "Je gelooft het misschien niet, maar prostaatkanker biedt ongekende mogelijkheden. Het is een pad, een model, een paradigma, voor hoe je met je omgeving om kunt gaan om jezelf en anderen te helpen. Daardoor ontwikkel je je tot een veel hoger niveau van menselijkheid." Ik kwam het citaat tegen in het boek Smile or Die van Barbara Ehrenreich over haar ervaringen met borstkanker en de terreur van de roze lintjes maffia die doet of het allemaal eigenlijk een feestje is. Als je serieus vrouw bent, dan mag je zo'n gezwel niet gemist hebben. Met een tumor in de borst hoor je er pas echt bij. Iets dergelijks geldt blijkbaar ook voor mannen, maar dan zit de zegen op een andere plek.
Snel koop ik een nieuwe broek, een shirtje, trendy ondergoed. Vervolgens was ik me met het spoelwater in het herentoilet, droog me zo goed als het gaat af met wc-papier en trek de nieuwe kleding aan. Mijn vieze spullen prop ik in de plastic tas van de winkel. Is er nog iets te ruiken? Ik voel mijn zelfvertrouwen een beetje terugkomen. Op tijd stap ik het vliegtuig in. Gaat het misschien toch nog een prettige reis worden? Twee weken met de kleindochters.
We verblijven op een plaats waar eeuwen lang geen mensen gewoond hebben. Een projectontwikkelaar besefte dat de grond er heel erg goedkoop was en dat je er rijke mensen uit rijke landen naartoe kunt vliegen om er in de zon te liggen. Arme mensen uit arme landen breng je er dan naartoe om er eten op te dienen en de rommel op te ruimen. Een ontmoedingsplaats voor mensen. En nu staat daar een nieuw dorp op de rand tussen woestijn en zee. Het geeft een licht gevoel van vervreemding dat alles, maar dan ook alles in de winkels en eettentjes er alleen maar is voor mijn plezier. Gelukkig heb ik een paar goede boeken bij me en kan ik me er blind voor maken.
Aan de Rode Zee valt bovendien weinig te doen. De rand van een zwembad boeit me niet en een ligstoel op een strand is maar een half uur leuk. Gelukkig kun je er diepzeeduiken. Niet dat ik dat kan of het prettig vind, maar mijn zoon en schoondochter wel, waardoor we eindeloos veel uren doorbrengen met Helena van vier en baby Katalijne. Verhalen vertellen uit het hoofd, uit dikke boeken met verschillende stemmen voorlezen of samen tekenen. Poepluiers verwisselen en flesjes opwarmen. Liedjes verzinnen die nergens op slaan. Honderden foto's maken om vast te leggen hoe leuk ze waren en hoe geweldig het leven is. De dagen vliegen om.
Als Strum met een hoger niveau van menselijkheid bedoelt dat ik hier met mijn kleindochter op de arm langs de bakken van het buffet lopend om erachter te komen welke toetjes ik op haar bord moet scheppen dubbel van het leven geniet, dan heeft hij helemaal gelijk. Ik vrees echter dat hij iets heel anders in gedachten had toen hij de mooie kanten van de prostaatkanker onder woorden bracht.
Na vier dagen voor het ontbijt, lunch en avondeten in de rij te hebben gestaan om Libanese, Egyptische en Indiase lekkernijen op mijn bord te laden begint het ritme en de herhaling van wat er aangeboden wordt zichtbaar te worden en treedt een zekere baldadigheid op. Zeker als je ziet hoe dik de andere gasten van het hotel zijn. Daar wil je er eigenlijk niet tussen staan. Op de laatste avond besluiten we naar het enige à la carte restaurant in de omgeving te gaan om de week feestelijk af te sluiten. Op een verhoging tussen dadelpalmen en met verlichting uit duizend-en-één-nacht zitten we in de lichte bries van de zee. We zijn blij en lachen. Op een gegeven moment zegt Helena: "Jongens, jongens." We zwijgen en kijken haar aan. "Ik moet soms ook wel eens aan vervelende dingen denken. Zoals mijn zusje is dood. Mijn mama is dood. Mijn papa is dood. Mijn oma is dood. Mijn opa is dood."
Haarscherp herinnert ze ons eraan dat het leven niet alleen maar een kwestie van een brede glimlach is, maar dat achter alles de dreiging zit dat het allemaal verdwijnt en voorbij gaat. De dood is nooit ver weg en de schoonheid van het leven is broos, erg kwetsbaar.
"Dat is toch niet zo leuk om te zeggen," hoor ik iemand haar toefluisteren, maar toevallig praat ik er doorheen: "Je hebt gelijk lieverd."



Terug