| Week 13 -2010 Zij rijdt voor me uit op haar kleine fietsje. Haar beentjes gaan razendsnel op en neer. Als ze bij de weg komt moet ze stoppen en op mij wachten. Daar is het gevaarlijk. Ze is erg gehoorzaam, maar remt soms zo laat dat opa's hart dreigt te stoppen. We zijn op weg naar het centrum, waar we haar oma en haar broer gaan zien. Die laatste mag een nieuwe jas uitzoeken. Bij elke straatkoopman - de patatverkoper, de visboer, de bloemenman - stopt mijn kleindochter en zegt "Daaaag". Ze kijken vertederd naar haar. "Ik ga naar de stad en dan krijg ik een ijsje," deelt ze mee. "Wat fijn," zeggen de mannen en er is licht in hun ogen. "En mijn broer krijgt een nieuwe jas." Daarna roept ze "Tot ziens" en rijdt verder. De wereld is mooier dan ik ooit onder woorden kan brengen en ik heb me nota bene ingebeeld dat ik schrijver ben. Plotseling voel ik de pijn in mijn blaas en ik weet dat ik binnen twee minuten een oplossing gevonden moet hebben. Het komt omdat ik weer een paar keer bloed bij de urine had. De waterwegen zijn geďrriteerd en als ik plas kan ik de ontsteking ruiken. Bij een hotel schiet ik naar binnen en regel iets zodat er niets met mijn Helena kan gebeuren. Wat een opluchting dat ik op tijd ben. Hoe moet ik het haar uitleggen als het ijsje niet door kan gaan omdat opa het in zijn broek heeft gedaan? En wil ze nog wel bij opa in de buurt blijven als die naar oude mannen urine ruikt? Marion heeft het al een paar dagen door. Met dat bloed val ik haar zo weinig mogelijk lastig, maar haar neus bedriegt haar niet. "Je stinkt," zegt ze. "Daar moet je iets aan doen." Ze vindt dat ik naar de dokter moet omdat het een ongezonde geur is. Als het aan haar ligt zou ik drie maal per dag een nieuwe broek aantrekken, want de nadruppel ruikt ook niet geweldig. Ik besef het, maar wacht maar, want alles gaat toch vanzelf weer over. Ik heb gewoon even tijd nodig. Het komt natuurlijk door mijn uitsloverij op de hometrainer. Om mijn leven te rekken zit ik boven op de prostaatkanker sportprestaties van je jewelste te leveren. Op die manier krijg je zelfs uit een walnoot sap. We zetten onze tocht voort. Helena fietst snel tussen de mensen door en ik moet af en toe een beetje rennen om haar niet uit het oog te verliezen. Mijn conditie gaat wat achteruit, nu ik voor mezelf een fietspauze heb ingelast om te zorgen dat ik niet elke dag bloed en stolsels produceer. Rennen gaat niet meer door de hielspoor. Fietsen lukt niet meer. Zal ik dan nu maar een roeimachine kopen? We komen langs de ene ijswinkel na de andere, maar ik wil naar Café Brinkman op de grote markt gaan, waar mijn vader me vroeger mee naartoe nam. Mijn vader zou deze week 97 geworden zijn, maar had nooit een serieuze kans dat ooit te halen. Daar was hij niet voor gebouwd. Op zijn 64ste was het afgelopen. Als ik aan hem denk zie ik de glimlach waarmee hij de wereld probeerde vriendelijk te stemmen, een grimas om andere mensen te bezweren die ik soms ook in mijn kaken voel en heel af en toe in Helena denk te herkennen. "IJs met een hoorntje," laat Helena weten alsof ze weet dat zoiets op een terrasje moeilijk te realiseren is. Als we er aangekomen zijn informeer ik. Nee, ze hebben alleen maar ijs in coupes. Sorry papa, het gaat niet door, ik kom niet bij je zitten om je geboortedag te vieren, want ik moet met Helena mee. Ze straalt als ik haar het ijsje overhandig, maar stuurt het terug, want ze wil er ook nog een gekleurde topping op. Ik neem haar fiets op mijn nek en we lopen samen voorzichtig door de winkelstraat. Die is vandaag helemaal niet zo lelijk als ik hem normaal vind. Het lijkt een straat dwars door het paradijs. De zon schijnt een beetje, de lente doet zijn best, en ik loop met Helena door de hof van Eden. Wat kan dat nog verstoren? Ik verdring de herinnering aan wat mijn schoonmoeder me die ochtend vertelde. Ze was vroeg opgestaan omdat ze niet meer kon slapen en terwijl het langzaam licht werd had ze haar oudste fotoalbum doorgekeken. Ze telde de mensen op de foto's die niet meer leefden en was vreselijk geschrokken. Aan zulke dingen wil ik vandaag beslist niet denken. Het ijs wordt zachter en zachter en begint langs het hoorntje te lopen. Het komt op haar hand en Helena begint een beetje te mopperen. Ze zoekt naar een manier het ijsje vast te houden waardoor haar vingers schoon blijven. "Laten we even op het bankje zitten," stel ik voor. Ik kijk of iets bij me heb om haar hand mee af te vegen. Mijn zakdoek? Nee, die is vies. "Ik maak het straks wel voor je schoon." Maar ze is moe en haar mooie bestaan wordt bedreigt door die plakkerige vingers. Op een gegeven moment heeft ze het ijsje bij het uiterste puntje vast en dan gebeurt het onvermijdelijke. Het valt en komt precies op zijn kop op straat terecht. Dikke tranen komen te voorschijn. Een nieuw ijsje kopen? Dat is opvoedkundig echter niet erg verstandig. Ik kijk en besef dat alleen het bovenlaagje de grond heeft geraakt. Voorzichtig pak ik het ijsje op en met mijn wijsvinger haal ik een ruime laag van de bovenzijde af. Het ijsje ziet er nu weer prima uit. De tranen zijn verdwenen en Helena klaagt niet meer over plakkerige handen. Die heb ik nu. Wat moet ik met die kleverige troep op mijn hand? Ik probeer het eraf te schudden, maar het blijft zitten. Het ergste in ons leven is dat alles uiteindelijk moet verdwijnen. Maar nu nog even niet. Dapper stop ik de vinger met ijs en straatvuil in mijn mond en maak hem zo schoon. Daarna droog ik hem aan een pijp van mijn spijkerbroek. Zo, alles is weer in orde. Terug |