Week 21 -2010
"Ik heb bijna geen vriendinnen meer," zegt mijn bijna negentigjarige moeder. "Ze zijn allemaal dood. Nou ja, Mieke nog, maar die weet na een paar minuten al niet meer dat er iemand geweest is. Die is zo dement."
Onderweg naar Amsterdam heb ik zoals gebruikelijk mijn moeder gebeld. Het is ontspannen om vanuit de auto te bellen. Niets dat mijn aandacht vraagt en ik heb alle tijd voor haar.
"Soms denk ik aan de tijd dat de tweeling nog niet geboren was," vertelt ze. "Toen jij en ik nog met zijn tweetjes waren. Dan krijg ik ineens zin om je te zien en zou ik een taxi willen bellen om naar je toe komen. Maar dan weet ik dat je waarschijnlijk aan het werk bent en dan doe ik het maar niet."
Wat ben ik toch een zak, dat ik denk met af en toe een keertje opbellen genoeg doe. Ik ga toch ook regelmatig naar mijn kleinkinderen toe.
Ouder worden is geen pretje. Mensen van je eigen generatie vallen weg, je wordt slecht ter been en en contact onderhouden wordt steeds moeilijker. Uit onderzoek blijkt dat mensen vijf, zes mensen in hun omgeving hebben waar ze intensief mee omgaan. Daarnaast hebben ze een netwerk van ongeveer 150 mensen met wie ze contact onderhouden, die ze nodig hebben om hun mening te vormen en om mee te communiceren zodat ze niet buiten de wereld worden gesloten. Die 150 mensen vormen de gemeenschap waarin ze leven. Volgens Nicholas Christakis en James Fowler die veel onderzoek naar netwerken deden is dat getal van 150 niet toevallig. Legereenheden, grootfamilies, plattelandsgemeenschappen, ze bestaan allemaal uit ongeveer dat aantal mensen. Ze deden zelfs onderzoek naar hoeveel vrienden mensen gemiddeld op facebook hebben. Er zijn er met honderden vrienden en een enkeling heeft er maar weinig, maar gemiddeld kom je uit op 148. Dat is het maximale aantal mensen dat je kunt kennen, waarvan je de naam weet, waarbij je je een achtergrond, een beroep, een hobby weet te herinneren. Meer mensen in je netwerk is uitgesloten. Als je ouder wordt bestaat dat netwerk echter al lang niet meer uit 150. Het wordt al maar kleiner. Tot er niemand meer is en je onbelangrijk geworden bent. Eenzame mensen blijken god ook een plek te geven in hun netwerken. Iemand waarmee ze regelmatig communiceren, iemand waarvan ze weten dat die ook weer met veel andere mensen contact onderhoudt en iemand die niet dood gaat. Zo blijf je nog even deel van een groter geheel.
Als je jong bent wil iedereen je vriend wel zijn. Je hebt ook nog niet van die droevige verhalen. Samen lachen. Gezellig. Niet praten over kanker, opgezette benen, de teleurstelling omdat je alles vergeten bent.
Onze kleindochters logeren bij ons en dus is het de hele dag vrolijk bij ons thuis. Daar staat tegenover dat we voortdurend bezig zijn met luiers, wasjes en flesjes voor de baby. Met de oudste kijk ik voor de zoveelste keer naar haar lievelingsfilms. In mijn hele leven heb ik een film zelden vaker dan één keer gezien. Een uitzondering vormen de films van Marion. Toen ik veertien jaar was, moest je West Side Story zeker drie keer gezien hebben, anders telde je niet mee in je netwerk. Later viel The Graduate die eer te beurt. Maar sindsdien ben ik effectief gaan leven. Eén keer een film bekijken is zat. Nu kijk ik echter voor de dertigste maal naar Assepoester of voor de twintigste keer naar Alice in Wonderland. Elke keer weer even enthousiast omdat Helena met haar warme lijfje tegen me aangedrukt gezellig met mij kijkt. De installatie moet extra hard, want ze heeft een lijmoor en is doof. Het maakt contact lastig. Ze begrijpt niet alles, maar doet of ze het verstaan heeft.
Aan het einde van de dag zijn Marion en ik uitgeput, we slapen slecht, luisteren naar elke kreun of zucht van de meisjes, en ik voel een lichte droefheid opkomen als ik denk aan alles wat het kwetsbare bestaan van die twee kinderen kan bedreigen. Ik weet dat de medicijnen die ik slik zorgen voor depressieve gevoelens, maar dit is eerder melancholie, pijn omdat al het mooie verdwijnt. Melancholie schijnt heilzaam voor de ziel te zijn. Daar troost ik me maar mee.
Helena vertelt me dat ze denkt dat oma Jacqie - Marion's moeder - een beetje zielig is.
"Waarom dan?" schreeuw ik in haar oor.
"Omdat opa jarig was en hij al dood was gegaan," legt ze uit. Of ze snapt dat je zo'n opmerking moet verhelderen voegt ze er aan toe. "Als ik heel oud ben en getrouwd ben met David en tachtig en hij zou dood zijn, dan ben ik op zijn verjaardag ook zielig." David is haar broer van dertien.
Om in een netwerk optimaal te functioneren moet je een groot empathisch vermogen hebben. Dat heeft Helena wel. Ze zal vast telkens nieuwe mensen hebben in haar netwerk van 150 als er mensen uit wegvallen.
Het maak me nog droeviger. De belangrijkste reden blijft echter het telefoongespek met mijn moeder en het besef dat ik als zoon vreselijk tekort schiet. Ik denk dat ik haar al blij genoeg maak door haar niet te vertellen over de prostaatkanker. Elke keer dat ze vraagt of het wel goed met me gaat antwoord ik met zo'n vrolijk mogelijke stem "natuurlijk mam" en als ze dan "echt?" zegt, benadruk ik het nog eens extra "Ik zou toch niet tegen je jokken".
"Ik heb de foto's van Helena en Katelijne bij mij bij de bank staan," zegt mijn moeder via de telefoon. "Als ik er dan langs loop dan praat ik met ze. Dag lieve schatten. Dag lieve kleine poppedeintje. Ze komen toch wel mee op mijn verjaardag? Dan mag ik ze misschien in mijn armen houden."



Terug