Week 43 -2010
Mijn kleindochter heeft met legosteentjes een groot brandwondencentrum gemaakt. Zo verwerkt Helena het trauma van de brandwonden die acht procent van haar kleine meisjeslichaam bedekten. Hete thee. Alleen in een ambulance, terwijl haar papa erachteraan rijdt. Twee keer morfine.
"Dit is een krokodil," legt ze uit.
Het groene legodier ligt voor de ingang van haar bouwwerk.
"En die bijt in je bil," zeg ik.
"Nee hoor," antwoordt Helena. "Hij bijt niet."
Deze week las ik onderzoek waaruit blijkt dat mensen die verliefd zijn minder pijn voelen. Ik heb het gelegd op de stapel artikelen die ik over pijn verzamel. Daar wil ik ooit iets moois over schrijven. Hoe sprookjes, meditatie, placebo, vloeken, honden, een foto van iemand waar je van houdt en zelfs cash geld in je hand helpen de pijn te verzachten.
Mensen hebben een onwaarschijnlijk grote capaciteit om terug te krabbelen na pijn en verdriet. Zelfs mijn schoonmoeder, die leek te verdrinken in de stilte die achterbleef nadat haar man anderhalf jaar geleden overleed, krabbelt weer overeind. Ze heeft elke dag lieve dingen gezegd tegen zijn foto's die overal in huis staan. Het leek er soms op of ze boos was dat hij niets liet merken. Enkele nachten achtereen ging de telefoon zo maar over en als ze opnam hoorde ze niets. Sindsdien is ze ervan overtuigd dat die storing in de telefoon een teken van hem was om haar te laten weten dat hij van waar hij nu vertoeft op haar blijft letten. Het heeft haar het zelfvertrouwen gegeven om door te leven. Zelfs haar geheugen wordt weer beter. Pijn kan niet op tegen de nabijheid van mensen.
Wij maken deel uit van groepen van maximaal 150. Zo lang we in die groepen meedoen leven we. Als de groep kleiner wordt of als we onszelf afzonderen en niet meer mee willen doen verdwijnt het leven. Om dat te voorkomen snuffelen we zo lang mogelijk aan elkaar, wachten hoopvol af tot de anderen een teken van leven geven, we imiteren elkaar om te zorgen dat we niet uit de toon vallen en verstoten worden, we manipuleren elkaar om te zorgen dat we de aandacht en liefde krijgen die de mest vormen voor onze ontwikkeling en nodig zijn voor het verdrijven van de pijn.
De groep van mijn moeder die nu negentig jaar oud is wordt steeds kleiner. Haar vriendin van drieënnegentig is vorige week overleden. Met Dickie en Mieke spreekt ze af in het winkelcentrum om een kopje koffie te drinken. Dickie kan niet meer goed lopen en Mieke herinnert zich niets meer. Mijn moeder moet allebei haar vriendinnen helpen. De een bij het instappen in de taxi, de ander door uit te leggen hoe ze weer thuis komt. "Gewoon rechtdoor," zegt ze. "Dan loop je vanzelf tegen je flat aan."
Zo lang die vrouwen haar nodig hebben is er reden om te blijven leven. Maar wat gebeurt er daarna? Ik ben geen goede zoon, want ik werk altijd en als er dan nog tijd over is gebruik ik die het liefst om te lezen. Daarom haal ik haar voor de eerste keer dit jaar op om bij ons te komen eten. Mijn schoonmoeder is er ook. Zou ik wel 150 mensen goed kennen? Omdat Marion me gezegd heeft dat het goed zou zijn als ik iets op facebook doe, heb ik me er met enthousiasme op gestort, maar ik mis de glimlach. Een tekentje achter een zin dat een dwarsliggend lachend gelaat moet voorstellen is voor mij onvoldoende. Mijn zoon is mijn vriend geworden op facebook. Na een paar dagen informeer ik of hij gezien heeft dat ik zo actief ben.
"Ja goed," zegt hij. "Maar je moet misschien niet van die sombere dingen schrijven. Het is meer een medium om te lachen."
Ik ben al de hele dag bezig om een grap te verzinnen.
Opvallend is dat ik niet eens pijn heb die ik moet verwerken. Alleen het besef dat het leven zo snel tussen mijn vingers glipt zit me dwars. Ook de gedachte dat er zo maar iets met mijn kleindochter kan gebeuren.
Onlangs werd Helena vijf jaar oud. Rond de verjaarstaart hoorde ik haar met haar vriendinnetjes praten.
"Het is heel erg," zei een van de kleine meisjes. "Want de poes van Naomi is weggelopen en ze weten niet waar hij is."
"Mijn opa is pas heel erg," zei een ander. "Hij heeft heel erg pijn in zijn rug en zit altijd maar in een stoel."
"Mijn oma is altijd droevig," zei een derde alsof het een wedstrijd was geworden. "Ze wil niet meer leven."
Wat een wonderlijke gesprekken hebben kinderen soms.
"Nou ik heb het allerergste," zei Helena. "Mijn opa Alex is doodgegaan."
Het leek of niemand daar nog tegen op kon. Ach, en het was ook Helena's verjaardag. Dus die mocht iedereen overtreffen.
Toen ik het gesprek later aan mijn zoon beschreef zei hij: "Ja, toevallig waren er ook twee kinderen, en van de een is de moeder vorig jaar overleden en van de ander de vader."
Die twee meisjes hadden zich helemaal niet in het gesprek gemengd. Als je heel veel pijn hebt, die niet meer uit te spreken is en niet meer verdwijnt ook al ben je nog zo verliefd, dan zwijg je misschien.
Elke week schrijf ik over mijn prostaatkanker en probeer met woorden een brandwondencentrum te bouwen om onder ogen te zien dat de pijn van het afscheid onvermijdelijk komt. Gelukkig weten we niet wanneer dat precies gebeurt.



Terug