Week 48 -2010
Eens per maand krijg ik een acceptgiro van mijn verzekeraar. Die heeft van alles voor het in stand houden van mijn verkankerde lijf betaald, maar ik blijk op een deel daarvan helemaal geen recht te hebben. Zo moet ik bijvoorbeeld voor bloedonderzoek en fysiotherapie terugbetalen. Dat laatste heb ik nodig door mijn versleten heup, de pijn die ik daardoor in mijn rug krijg en me hindert aan sport te doen. Iedereen weet dat mensen met kanker goed moeten blijven trainen omdat aangetoond is dat hun klachtenvrije leven daardoor verlengd wordt. Mijn verzekeraar lokt intussen klanten met leuke dingetjes op het gebied van 'wellness'. Voetmassages, dierentuinbezoek en heilzame baden. Ik wil zorg en geen kletskoek. Daarom wil ik opbellen en mopperen, maar zoals veel mensen maak ik het bedrag maar over. De verzekeraar en ik kennen elkaar eigenlijk niet en daarin schuilt nu juist het probleem.
In het boek Connected over sociale netwerken van Nicholas Christakis en James Fowler (Harper Press 2009), de onderzoekers die ons onthulden dat als je een dikke broer of dikke beste vriend hebt jouw kans op overgewicht 80 procent groter is, dat geluk besmettelijk is en dat scheiden doet scheiden, wordt uitgelegd waarom mensen grote hersenen hebben. Mensen hebben grote hersenen om in de nabijheid van andere mensen te kunnen overleven. Dat is namelijk een complexe omgeving die hoge eisen stelt aan samenwerking, aanpassing en competitie. Mensen moeten om door te hebben wat er in een ander plaats vindt enorme kwaliteiten ontwikkelen op het gebied van abstracte redenering, empathie, inzicht en het herkennen van kleine signalen. Onze hersenen moeten bovendien in staat zijn die netwerken te manipuleren, ze bruikbaar te maken voor ons individuele doel. Te verleiden, te bedriegen, maar ook weer om dat bij anderen te doorzien. Daarvoor is het belangrijk om in te kunnen voelen, te vergelijken, juistheid van informatie in te schatten, en om oprechtheid en valsheid te herkennen. Daar zijn hersenen voor nodig die niet alleen voortdurend berichten de wereld in sturen, maar ook in staat zijn de boodschappen van anderen voortdurend te decoderen en waarderen. Mensenhersenen hebben dan ook de omvang gekregen andere soorten niet hebben. Dieren communiceren uiteraard ook, maar die hebben toch niet zo'n grote encefalisatie quotiënt. Alleen dolfijnen komen wat dat betreft een beetje bij de mens in de buurt.
Uit analyse van de communicatie tussen mensen blijkt echter dat tweederde ervan gebruikt wordt voor gebabbel en roddel. Dat is hoe wij van alles op het spoor komen. Vervolgens twitteren we vanuit de praatprogramma's des levens en manipuleren we onze netwerken. Daartoe klikken we voortdurend onze hersenen aan elkaar vast en polsen, peilen, imiteren, doen mee met de rest en vleien.
Wij doen dat onder andere door gebruik te maken van onze spiegelneuronen. Ze kopiëren de mimiek en roepen zo het bijbehorende gevoel op. Maar dan moet je elkaar wel kunnen horen en zien. Invoelen is misschien wel de belangrijkste functie van onze indrukwekkende hersenen. Autisten kunnen dat niet en vrouwen beter dan mannen. Uit netwerkanalyses blijkt dat de mens in groepen van maximaal 150 leeft. Bendes, legereenheden, extended families, allemaal bestaan ze uit ongeveer 150 leden. Meer kan niet, want dan weten we niet meer wie we zijn en wat ons beweegt, kunnen we de mensen niet meer uit elkaar houden. Het gemiddelde aantal vrienden dat mensen op facebook hebben blijkt bij toeval ook 148 te zijn.
Een verzekering is een netwerk van meer dan 150 personen en daar gaat het mis. Misschien geldt dat ook wel voor de zorg. Om die reden ben ik ook voor kleine groene, houdbare zorg waarbij niet meer dan 150 mensen betrokken zijn. Gewoon om het menselijk te houden, maar waar vind je die nog?



Terug