Week 04 -2011
Vanmorgen, nadat ik afgerekend had bij Albert Hein en me naar mijn auto begaf, liep een vrouw me achterna en vroeg of ze iets brutaals mocht vragen.
"Graag," zei ik.
"U heeft toch over prostaatkanker geschreven," zei ze. "En nu zou een van uw boeken speciaal geschikt zijn voor vrouwen van mannen met prostaatkanker. Kunt u me vertellen welke dat is?"
"Ik denk dat u beter het boek van mijn vrouw kunt kopen," antwoordde ik. "Als je man verandert."
Nog nooit ben ik nagelopen door een man die me vroeg waar hij mijn boeken over kanker kan kopen. Nee, ze doen gewoon net of ze niets hebben. Ze denken namelijk: Als je het niet hardop zegt heb je er ook geen last van. Ik heb voor de verkeerde markt gekozen. Mannen lezen nu eenmaal niet. Zeker niet als ze ook nog met pisvlekken en een potentie bedreigend gezwel zitten. De handel in boeken wordt gedomineerd door vrouwelijke lezers. Ik heb mijn kans gemist.
"O," verzuchtte ze. "Gelukkig anders had ik vanmiddag misschien het foute boek gekocht."
"Mevrouw, ik schrijf geen foute boeken," voegde ik haar nog toe.
Elke week schrijf ik over hoe de prostaatkanker zich niet alleen een plaats in mijn onderlichaam heeft verworven, maar geleidelijk ook in mijn hoofd. Ik wil dat niet, want ik wil in de eerste plaats net als alle andere mannen leven en niet met de dood - of een aankondiging daarvan - bezig zijn.
Er is echter altijd wel iets of iemand die me eraan herinnert. Loopt men me niet op straat na, dan sluipt het wel mijn computer binnen via de vele wetenschappelijke artikelen over ziekte, ongeluk en terminale ziekten. 's Morgens als ik wakker word en achter mijn computer ga zitten staan ze al op me te wachten en dringen zich aan me op. Meestal print ik het en leg het op een stapeltje ooit te lezen informatie. Soms schrijf ik erover. Ik orden zo op een manier die het dragelijk maakt. De realiteit is me niet leuk genoeg. Of we nu schrijven, schilderen, fotograferen of muziek maken, mensen willen graag dat de kale werkelijkheid wat meer is en verkleden hem, bedekken hem met woorden.
Iets dat me twee weken geleden onder ogen kwam en zo'n beetje op mijn bureau aan het rondzwerven was tot het zijn bestemming vond zette vandaag mijn hersenen in werking. Helaas, het artikel over een nieuwe behandeling van kanker blijkt zo geformuleerd dat het mijn eigen verbeelding in het nauw dringt. Het gaat over een eiwit dat op sommige kankercellen zit en dat de afweercellen in het lichaam opdracht geeft tot moord op die vermaledijde kankercel. Hulde voor dit kleine guerrilla-eiwit dat met gevaar voor eigen leven ons probeert te redden. De vraag is waarom er dan toch mensen dood gaan aan kanker en waarom de slachtpartij onder de kankercellen niet bij iedereen plaats vindt. Dat komt omdat de kankercellen tegelijkertijd ook nog een ander eiwit maken met precies de tegenovergestelde boodschap. Onderzoekers zijn nu bezig manieren te vinden die dit proces misschien kunnen manipuleren. De bollebozen, verliefd op media-aandacht en met grote behoefte aan meer geld voor hun onderzoek, hebben de publiciteit gezocht. Ze hebben nog niets concreets in handen, maar ze roepen van de daken: "Misschien vinden we op deze manier wel een medicijn tegen kanker."
Ik mag het hopen en hoop dat het medicijn dat voor mensen misschien over een jaar of tien - als alles meezit - beschikbaar zal zijn, geen bijwerkingen vertoont die op andere wijze het leven ondraagbaar maken. Wat me dwars zit is hoe het uitgelegd wordt. De dappere jongens en meisjes die het onderzoek gedaan hebben, praten over een eiwit dat op de cellen zit en 'eet me' zegt en een ander eiwit dat 'eet me niet' roept. Die formulering blokkeert mijn verbeelding volledig. De poging om ingewikkelde processen uit te leggen is ontaard in een vergelijking die de eetlust bederft.
Het artikel ligt op mijn bureau en telkens als ik de titel zie, krijg ik een onbestemd gevoel: 'Eat me' signal on some cancer cells may hold key to future cures. Ik zie een bacchanaal in de grootteorde van La grande Bouffe voor me. Door de concreetheid van de vergelijking, die onvoldoende recht doet aan de processen die met immuniteit te maken hebben, krijgt de lezer ook nog het gevoel dat het medicijn er al bijna is. Alleen nog maar de tafel dekken, borden en glazen klaarzetten, dien maar op en aanvallen maar.
Soms ben ik het zo moe overal met die prostaatkanker geconfronteerd te worden. Van boodschappen doen tot de lepel in mijn mond steken, altijd is het aanwezig. Ik heb daarom meer vakantie dan ooit nodig, maar ik wed dat de ziektekostenverzekeraar dat wel niet zal vergoeden.



Terug