| Week 05 -2011 Op mijn twaalfde vertelde ik als mijn ouders daarnaar vroegen dat ik leraar geschiedenis wilde worden. Daar had ik absoluut geen zin in, maar ik was bang dat ze niet wisten wat een archeoloog was. Bovendien gingen ze zich misschien zorgen maken over de vraag of met een dergelijk beroep wel iets te verdienen was en aan leerkrachten is er altijd behoefte, zelfs als ze geschiedenisles geven. Op mijn buik gelegen in de bibliotheek van mijn grootvader trok ik op doorzichtig papier zorgvuldig het masker van Tutankhamon over en maakte lijstjes met wat er allemaal meegenomen moest worden op mijn expedities naar Egypte. Ik twijfelde er geen moment over dat ik de grond onder Thebe zou doorzoeken, maar besefte dat wat ik voor reëel hield voor anderen een fantasie kon lijken. Ongeduldig begon ik al met de voorbereidingen en een inventarisatie van benodigdheden leek me zinvol. Houwelen, een kompas en veel touw; kaarsen, een geweer, een degelijke landkaart en tekenpapier. Ik was niet de eerste die het zinvol vond zo'n lijstje samen te stellen. John Gardner Wilkinson deed dat al in 1847 voor zijn expeditie naar de Nijlvallei en kwam tot een veel langere opsomming, waar ook een voetenbad, een waskuip, een parasol en amandelpasta op stonden. Zijn lijst zag ik pas veel later en kon me niet tot nut zijn bij mijn bezoek aan de militaire dumpwinkel waar ik van mijn zakgeld alvast een opvouwbare schep en een veldfles kocht. Vijftig jaar later ben ik omdat ik haar veertig jaar ken met Marion eindelijk in de Koningsvallei en bezoek de graftombes van de farao's. Vanuit Luxor hebben we de fiets genomen en zijn naar de westoever van de Nijl gereden. Dat is de route die de farao's volgden als ze stierven. Ze leefden op de oostoever en als ze dood waren volgden ze Ra, de zonnekoning in zijn praalwagen naar de onbekende wereld waar de eindeloze Sahara begon, waar het licht 's avonds verdween en waar Hathor, Osiris, Anubis, Isis en Toth hand in hand op ze wachtten. Vol ontzag voor een religie en een wereldbeeld die geheel op de dood gebaseerd waren dwalen we tussen de bouwwerken die na vijfduizend jaar nog steeds overeind staan. Tempels aan beide zijden van de rivier, die begin en einde van de tocht op aarde markeren, verbonden door een eindeloze stroom woorden van het geloof in eeuwig leven. Logisch. De farao's werden niet veel ouder dan een jaar of vijfendertig. Stierven ze niet in een veldslag, dan werden ze wel vermoord door een familielid of waren slachtoffer van een dodelijke ziekte. Tuberculose misschien. Kanker kwam toen nog niet zo vaak voor. Prostaatkanker moest nog uitgevonden worden. De macht, het heerlijke leven, de rijkdom van de heersers waren voorbij eer ze ervan hadden leren genieten en ze deden er alles aan om dat voort te zetten in een hiernamaals door zelf ook goden te worden. De priester in de tempel van Amun had 81.000 werkers ter beschikking en om die te voeden bezat hij 421.000 stuks vee en 276.000 hectare bouwgrond. Een hele economie voor het realiseren van de religieuze fantasie van de farao's, die ondanks hun dood niet van ophouden wilden weten. Het kon, nee het mocht niet zo maar afgelopen zijn als het voorbij was. Ik weet niet waar ik moet kijken en wil alles fotograferen. Elke wand waar een penseel iets geschilderd heeft, waar een beitel iets heeft uitgehouwen moet vastgelegd worden, alsof ook ik nog iets toe kan voegen aan de eeuwigheid. De abrupte overgang van de vruchtbare modder van de Nijl naar de schijnbare afwezigheid van leven in de woestijn moet beslissend geweest zijn voor hoe de bewoners van de riviervallei zichzelf en hun omgeving zagen. Het is bepalend geweest voor hun besef van ruimte en tijd. Ze zaten letterlijk gevangen tussen leven en dood. Honderden foto's neem ik maar ik merk dat ik het liefst Marion fotografeer. Als een vlinder dwarrelt ze in haar rode shirt tussen de bouwwerken die er al millennia staan en die er ook nog wel over een jaar of duizend zullen zijn - als de mens het leven op aarde onmogelijk gemaakt heeft. Kwetsbaar zijn we tussen de gigantische zuilen. Ik ren naar de volgende hoek om haar in een ander licht vast te leggen, te betrappen in een beweging. Ze moet bewaard worden. Voor altijd, het mag niet verdwijnen. Bewaard in digitale bestanden, die vast niet zo'n lang leven zullen hebben als de wanden van de tempel van Dendera waar Cleopatra en de Caesarion, haar kind zijn ingekerfd. Ik vermoed dat zelfs de dia's die ik dertig jaar geleden van Marion maakte - in een andere rode jurk - een langer leven hebben dan de schijfjes met mijn foto's, maar nooit zo lang bewaard blijven als de herinneringen aan de laatste farao. De foto's die ik afdrukte en zorgvuldig in plakboeken bewaarde zijn al verkleurd. Daar is het rood al roze geworden. De verbeelding over wie Cleopatra was is echter kleurrijker dan ze zelf ooit geweest is. Koortsachtig fotografeer ik. Vlug, vlug. Laat het niet verdwijnen en als ik naar de andere kant moet gaan, geef me dan voor elk jaar dat ik haar gekend heb een foto mee. Dan kan ik die daarginder aangekomen laten zien. Kijk, ik heb geleefd als een farao. Terug |