Week 15-2011
Componist Andrew Lloyd Webber heeft vorige week in de Engelse media onthuld dat hij impotent is geworden door een prostaatkankeroperatie. Prachtige musicals heeft hij geschreven en vervolgens vertelt hij zo maar in de media dat hij problemen heeft met de potentie. Die man moet wel gek zijn. Je gaat toch niet met dat soort problemen de mediastraat op? Deze briljante musicalmaker heeft wel een heel perfide gevoel voor melodrama.
Wat dacht ik dan van mezelf? Heb ik er zelf wel goed aan gedaan om ooit te beginnen met een wekelijkse column op mijn eigen site over het wel en wee van de prostaat en mij? De eerste weken had ik vijf bezoekers per dag. Dus wat maakte het uit dat ik die op de hoogte hield van mijn wederwaardigheden. Op die manier kon ik bovendien vermijden duizend keer de vraag 'hoe gaat het' te beantwoorden. Het aantal bezoekers van mijn site werd echter steeds groter. Telkens dacht ik dat het hoogst haalbare wel bereikt was, maar het bleek niet zo te zijn. Momenteel komen er per dag meer dan tweehonderd bezoekers om mijn weekboek te lezen. Gemiddeld zit ik dus op 1500 lezers per column. Aanvankelijk kende ik de mensen die het wekelijks volgden. Vrienden en familie. Die lezen inmiddels heel andere dingen, want het leven bestaat niet uit prostaatkanker alleen. Ik vraag me zelfs af of mijn zoon het wel eens leest. Ondertussen heb ik geen idee meer wie de lezers dan wel zijn en ik kan mezelf niet meer voor de gek houden. Als een musicalster heb ik het gezwel in mijn prostaat in de etalage geplaatst.
De journalisten die me interviewen blijken het eveneens te lezen. Soms betrap ik mezelf op onbegrijpelijke onnozelheid. Ik ben dan namelijk verbaasd dat nieuwsdelvers zoveel over me weten, maar als ze vertellen dat ze het op mijn website hebben gelezen besef ik dat er inmiddels wel een hoop persoonlijke ervaringen op die site verzameld zijn.
Daarom schijnt bij mij geheel onbekende mannen en vrouwen bekend te zijn dat in het begin van de behandeling ik chemocastratie onderging en seksueel tot niets meer in staat was. Seks was een vreemde combinatie van letters geworden en riep niets bij me op, dit in tegenstelling tot de combinatie van de letters P, S en A. Zelfs vanuit mijn lievelingsbuurland België kreeg ik verzoeken er iets over te vertellen. Zo heb ik ongetwijfeld over mezelf het imago van een flinke vent die uitkomt voor een slappe pik afgeroepen.
Natuurlijk was ik ijdel genoeg om na de behandeling toen de geheimzinnige mannelijke krachten zo maar terugkwamen weer uitgebreid uit te leggen dat het helemaal in orde is gekomen, maar het mocht niet meer baten. Ik was de slapste lul van Nederland geworden, maar dan wel een die het ruiterlijk toegaf. "Zie je die man daar winkelen?" fluisteren echtgenotes die me bij Albert Hein mijn karretje voort zien duwen tot hun partner. "Die kan hem niet meer overeind krijgen door de medicijnen."
Nu mijn nieuwe boek verschenen is en ik het ene interview na het andere geef, moet ik telkens uitleggen hoe het nu met mijn gezondheid is en ik ga onmiddels vermoeden dat ik het woord gezondheid moet zien als een synoniem voor mijn eigen potentie. Men informeert gelukkig niet zo maar rond uit naar mijn seksuele vaardigheden, maar om een portret te maken van de schrijver achter het boek wordt toch wel de kanker in mijn prostaat van stal gehaald. In het verlengde daarvan liggen dan mijn ervaringen met een behandeling die de kwaliteit van leven ondermijnt in de hoop dat je er in ieder geval jaren bij krijgt. Dat maakt natuurlijk mijn boek nog niet een product van de inzichten in de gezondheidszorg die ik in de afgelopen acht jaar heb ontwikkeld. In wezen verschillen mijn ideeën over gezondheid en gezondheidszorg niet veel van die van de angry young man die ooit dacht dat hij wist hoe het allemaal in elkaar zit. Het verschil met die leeftijd is echter dat ik beter heb leren denken en schrijven en nu kan wat me toen onmogelijk was. Nee, mijn boek over gezondheid en mijn eigen welzijn hebben niets met elkaar te maken. Het is geen autobiografie.
Van de week zat ik in een radio-interview en de man die me de vragen moest stellen had ik al eerder ontmoet. Ik herinnerde me ook dat hij net als ik prostaatkanker had en dat hij er eveneens met antihormonen voor werd behandeld. Tussen de opnamen door zei hij dat zijn partner op een gegeven moment vroeg wat er nog voor hen beiden wat betreft seksualiteit in zat. "Niets dus," had hij gezegd. Wat later werd me duidelijk dat zijn vriendin bij hem was weggegaan. Het bracht me van slag. Op een goed moment tijdens het gesprek confronteerde de interviewer me met het feit dat ik soms wel erg kritisch ben over de gezondheidszorg. "U en ik hebben het zelfde probleem," zei hij tijdens de life uitzending. "We gebruiken de zelfde medicijnen. Daar zijn we toch erg mee geholpen." Ik wist niet wat ik moest antwoorden, want mijn kritiek betreft vooral de financiering, de eenzijdigheid van het onderzoek en de belangenverstrengeling van de zorg. Niet zijn en mijn behandeling. Ik realiseerde me echter dat hij met al zijn kracht moet geloven in de zin van zijn behandeling om alle ellende die het hem gebracht heeft toch de moeite waard te laten zijn. Ik wilde hem dat niet afnemen. Daarom zei ik dat het niet voor de behandeling van prostaatkanker geldt.



Terug