| Week 39-2011 Is de gezondheidszorg er voor mij of ben ik er voor de gezondheidszorg? Die vraag is interessant als het om kanker gaat. Al snel zit je in een tsunami aan onderzoeken, behandeling, ingrepen, biopsieën, bloedtests, bijwerkingen van middelen waar je het bestaan niet eens van kende en aan het einde van het traject kan je niet meer overzien of het allemaal wel de moeite waard was. Geen dag rust meer en het is moeilijk uit je hoofd te zetten. Niet alleen omdat je eigen lichaam je eraan herinnert, maar vooral omdat je omgeving je gaat behandelen als een kankerpatiënt. Hoewel Illich beschreef hoe de gezondheidszorg de levens van gewone mensen overneemt, was ik er toch onvoldoende op voorbereid. Het zal ergens in de jaren zeventig geweest zijn dat ik kennismaakte met het werk van Ivan Illich. Dat begon met ´Deschooling Society´, waarin hij betoogde dat meer onderwijs alleen maar leidt tot een groter gebrek aan kennis. Het vergroot niet alleen de kloof tussen de mensen met informatie en degenen zonder, maar bovendien is onderwijs een socialisatieproces waarin je met andere woorden over de werkelijkheid die je al kent leert praten, waardoor je er minder greep op krijgt en afhankelijk wordt van deskundigen. Ik vond het een origineel betoog en toen zijn boek ´Medical Nemesis´ uitkwam, precies in de tijd dat ik medicijnen studeerde, moest ik het onmiddellijk lezen. In dat boek haalde hij het trucje nog een keer uit: Hoe meer geneeskunde en gezondheidszorg, hoe zieker de mensen. Ik moet daar de afgelopen negen jaar vaak aan denken. Het betoog van Illich was glashelder. Een snel groeiende medische wetenschap met een positivistische houding verovert steeds meer aspecten van het alledaagse leven door problemen te ontwaren die gemedicaliseerd worden, waardoor de dokter het vanzelfsprekende recht krijgt zich ermee te bemoeien. De dokter zit al naast je als je maar net geboren bent en houdt je hand vast, je leven lang, tot hij je uiteindelijk loslaat en je eenzaam de dood tegemoet gaat omdat dan de dokter het ook niet meer weet. Er waren wel meer mensen geweest die iets dergelijks beweerd hadden. Het toneelstuk ´De ingebeelde ziekte´ van Molière gaat er bijvoorbeeld al over. Illich probeerde het in een samenhangende visie te vatten. Alles hing met elkaar samen: de toenemende professionalisering van gezondheidswerkers, de medicalisering, de verschillen tussen deskundigen en leken, de belangenverstrengeling alsof het allemaal één groot complot is. Het was de kracht van zijn betoog, maar ook de zwakte, want de structuur van zijn redenering werd dominanter dan de inhoud. Ik ben veel aan Illich verschuldigd. Ik vond namelijk dat hij de werkelijkheid te kort deed en ik heb mijn leven lang geprobeerd om beter uit te leggen hoe het komt dat onze gezondheidszorg in toenemende mate faalt en patiënten zich steeds vaker in de kou voelen staan, niet krijgen waar ze voor komen. In mijn boek GEZOND heb ik dat zo goed mogelijk willen samenvatten. Na bijna negen jaar inde kankermolen zou ik moeten kunnen evalueren hoe ver dat proces gaat en of het in verhouding staat tot de voordelen die het me gebracht zou moeten hebben. Laat ik met dat laatste beginnen. Ik werd onmiddellijk toen de kanker werd ontdekt behandeld met chemische castratie, waarbij me eigenlijk niet gevraagd werd of ik dat ook wilde, maar ik dacht weinig keus te hebben. Er volgden nog bestraling, andere medicijnen, opnieuw een behandeling van mijn prostaat, en alles alleen om een schimmige bloedwaarde - de PSA - maar niet te zien stijgen. Want oei, gaat die omhoog dan fluistert de dood je naam. Hoe lang zal het dan nog duren? Ik weet helemaal niet of ik nog zou leven als ik niet behandeld was. Waarschijnlijk was de kanker dan snel uitgezaaid naar mijn botten en misschien nog wel verder, had ik pijn in die botten gekregen, liep ik fracturen bij het minste of geringste op en was ik uiteindelijk op bed beland, gereed om afscheid te nemen, maar zeker weet ik het allemaal niet. Uit de medische molen heb ik me nog aardig weten weg te houden. Een paar keer per jaar bloedprikken en de uitslag afwachten. Maar de gevolgen van het weten dat kanker je huis is binnengedrongen, dat het overal in zit, in de pan soep die ik vergeten was en nu een laagje schimmel vertoont, in de was die al gedaan moest worden, in de kraan die kapot gaat en die je zelf niet kunt repareren en als je het toch doet zit het in de wateroverlast die je veroorzaakt, in het politieke nieuws dat je niet meer mee wilt maken, dat is nooit meer weggegaan. Het is de ruis op de radio als je naar mooie muziek wilt luisteren. Het blijft en zit in elke woordenwisseling met je geliefde en het zegt je dat het bijna voorbij is. Moet ik daar de dokter die me voorstelde eens een PSA te laten bepalen en later vertelde dat die veel te hoog was dankbaar voor zijn? Niets medicalisering, niets belangenverstrengeling, niets van de mooie woorden waarmee sociologen en filosofen verklaren waarom het mis is gegaan in de gezondheidszorg, nee de Nemesis is niets anders dan de schaduw van de diagnose die alles verandert, de wraak van het lot dat je probeerde te keren, van de wens altijd gezond te willen blijven en daarvoor alles te willen doen. Het is er altijd, meestal maar een klein beetje, maar genoeg om te verontrusten. Elke dag. Terug |