Week 42-2011
Op ooghoogte in het herentoilet staat: "Heren, u dient zittend te plassen. Dit in verband met het feit dat uw urine radioactief materiaal bevat en om besmetting te voorkomen." Ik voel me onmiddellijk verantwoordelijk voor ieder die nog na mij zijn behoefte doet. Het handige bij het staande plassen is echter dat je als je klaar bent zo gemakkelijk uit kunt druppelen. Je hebt de ruimte om flink te zwaaien en schudden zodat alles geloosd wordt. Misschien is de vloer in een wijde cirkel besprenkeld en zijn ook de wanden geraakt, maar je bent het kwijt. Zittend met je hand tussen de bovenbenen in de kleine ruimte die dan onder de rand van de wc-bril rest maakt effectief uitdruppelen vrijwel onmogelijk. Telkens wil ik opstaan, maar als ik dan omlaag kijk zie ik weer een gouden druppel hangen als een traan in een kinderoog. Stel dat die nu net op de bril valt. Ik ga opnieuw zitten en probeer onhandig te schudden. Omdat ik daar even mee bezig ben kom ik wat te laat voor de tweede sessie van de choline-petscan. Het vindt plaats in twee gedeelten. Mijn bekken is al mooi in beeld gebracht, nu nog mijn totale lichaamg.
De verpleegkundige maakt zich zorgen waar ik gebleven was, maar ze had me zelf opdracht gegeven te plassen. Het goedje dat ik ingespoten krijg is nog al kostbaar en het moet snel gebruikt worden. Daarom ondergaan twee mannen tegelijkertijd dit onderzoek in een soort sandwichformule en ik kan die man natuurlijk niet laten wachten. Ergens op deze gang zit iemand anders te wachten op de scan en hij is afhankelijk van mij. Om en om prikken, vloeistof inbrengen, eerste scan, plassen, tweede scan. Het komt nauw. Hij is meer dan een prostaatkankerlotgenoot, een soort bloedbroeder en ik ben nieuwsgierig naar zijn leven, zijn levenspartner, zijn reizen, de boeken waar hij van houdt, naar welke muziek hij graag luistert. Ik hoor in de gang af en toe namen noemen. "Burgwal." Ik kan niet zien wie er loopt, maar als ik scheef ga liggen kan ik net om het hoekje kijken en zie dat het een vrouw is. "Mijnheer Vis," hoor ik even later, maar ook hij is mijn partner in de strijd tegen kanker niet.
"Mijnheer Wolven?" Ik moet nu zelf de scanruimte in. "Vijfentwintig minuten stil blijven liggen," zegt de verpleegkundige tegen me. "Armen omhoog, langs uw hoofd."
Zou die andere man ook zo goed stil kunnen liggen als ik? Waar denkt hij aan als het leven heel even stilstaat?
Ik besluit mijn tijd moet goed te gebruiken en reflecteer op de vraag waarom ik al sinds een jaar bezig ben te wachten op het einde. Ja, laat ik het in die scantunnel maar eerlijk onder ogen zien. Mijn boek GEZOND was af en opgestuurd naar de uitgever. Een levenswerk. Wat zou ik nog moeten doen? Wat kon ik daarna nog schrijven? Mijn dagboek, af en toe een column, en dagelijks wat tweets. Dat is alles wat er nog uitkomt en de droom van nog eenmaal een heel groot boek schrijven is verdwenen. Ik kan me ook niet voorstellen waar je voor zoiets de tijd vandaan moet halen. Voor wie zou ik het trouwens schrijven? Prachtige recensies in België, maar in Nederland nergens besproken. Geen recensent heeft zelfs de moeite genomen het te lezen. Te dik. Mijn laatste boek was zo bijzonder maar het is al weer vergeten. Ik had me de moeite kunnen besparen. Zelfs mijn zoon en schoondochter hebben het niet gelezen.
Ik heb mijn ogen gesloten en probeer iets in het donker te zien. Er verschijnt een gezicht. Ken ik die persoon? Het is een mannengezicht dat me vertrouwd voorkomt. Als ik goed kijk zie ik dat ik het zelf ben en ik hoor over lippen die niet worden geopend de woorden komen "zit niet zo te klagen man; ga weer een boek schrijven, het is nooit afgelopen".
Wat er ook uit de scan komt - of ik zit als een cervelaatworst onder de uitzaaiingen in mijn lijf, of er zijn wat klieren aangedaan, of de prostaat zelf speelt weer op - de uitkomst is nu al positief. De scan zegt me ronduit dat ik verder moet leven.
Als ik de scanruimte uitkom zie ik nog net hoe de andere man in zijn jas wordt geholpen. Wat een oude man. Hij schuifelt de deur uit. Ik loop uitdagend veerkrachtig de gang uit, maar eerst ga ik nog even naar het toilet. Nog een keer plassen en heel goed mijn handen wassen, want ik ga niemand in de buitenwereld besmetten met negatieve gedachten, depressieve stemmingen of radioactiviteit.




Terug