| Week 46-2011 De afdeling bestraling zit ver onder de grond - verdieping min twee. Ver van de echte wereld boven de grond komen daar de K-mensen naartoe in de hoop dat ze er na enkele weken weer als gewone stervelingen met recht op het eeuwige leven uit te voorschijn komen. Met blij gemoed meld ik me er, maar krijg de indruk dat de andere bezoekers aan de wachtkamer van de dood terneergeslagen bij elkaar zitten. Niemand praat, niemand leest en er valt ook weinig te lachen. Zelf heb ik het boek van David van Reybroek over Congo meegenomen. De wachttijden die ik in deze afdeling zal doorbrengen ga ik zinvol gebruiken: een bezoek aan een tropisch, druk gebied, vol leven. Dit wordt de derde keer dat ik bestraald wordt. Hoeveel van die straling mag ik eigenlijk in het totaal hebben voordat de kans op andere kwaadaardige processen in mijn lijf te groot gaat worden? Bovendien onderga ik ook nog eens regelmatig een petscan, waarbij mijn lichaam aan nog een extra hoeveelheid straling word blootgesteld. Zal straks blijken dat mijn PSA redelijk onder controle is gehouden, maar dat ik de ziekte van Hodgkin heb gekregen? Het is allemaal evidence-based medicine waar ik me aan onderwerp, maar het is toch gewoon geluk als het aanslaat en pech als het mis gaat. De arts heeft een speciale iPad om mij goed te laten zien in wat voor machine ik kom te liggen en hoe die om me heen draait. Dat schijnt belangrijk te zijn. Over de bijwerkingen merkt hij op dat die niet noemenswaardig zijn. Noem ze toch maar denk ik bij mezelf, maar zeg niets want ik zoek het thuis wel even op. Als een paar dagen later de brief van de specialist aan de huisarts in mijn brievenbus valt, lees ik daarin wat hij niet noemenswaardig vindt. Necrose van het bot, erytheem, zwelling. Zelden: fractuur. Specialisten hebben -juist omdat ze zich met een klein gebied bezighouden - vaak een beperkt gezichtsveld. Niet groter dan het scherm van een iPad. Het geeft niet. Als hij maar goed weet waar hij mee bezig is. Om eerlijk te zijn kan het mij werkelijk niets schelen hoe die machine om me heen draait, maar ik laat er niets van aan hem merken want hij doet zo zijn best. Het is echter nog niet zo ver, want eerst moet ik nog klaar gemaakt worden voor de bestraling. Mijn lichaam wordt gemeten en er komen markeerpunten op zodat ik bij elke sessie op precies de zelfde manier bestraald kan worden. Zelfs hoe ik mijn armen boven mijn hoofd kruis zal worden gefotografeerd zodat ze steeds op de juiste manier kunnen worden geschikt. "Kleed u maar uit," zegt de man. "Broek los, maar u kunt hem verder wel aanhouden." Terwijl ik wacht voor ik weer een kamer verder mag werp ik een blik in de spiegel. Mijn lichaam is nog redelijk gezond. Ik kan de ribben zien en de buikspieren zijn ook nog aanwezig. Er is een litteken op mijn buik waar bij een vorige ingreep een sonde gezeten heeft en er moeten ergens drie kleine tatoeages te zien zijn die nodig waren bij een vorige bestraling, maar verder is het redelijk ongeschonden. Zodra er een scan gemaakt is komt de paarse verf te voorschijn waarmee op mijn lichaam lijnen getrokken worden. Ik voel me net de koe die in zestien stukken wordt opgedeeld. Snijden langs de stippellijn. Schenkel, puntborst, naborst, klaprib, vanglap, platte bil. Lijnen en cirkels, die ik er niet af mag wassen, want ze zijn nodig om elke keer weer mijn lichaam in de juiste positie te houden. Ik krijg er nog acht tatoeages bij. Eén van de oude is nog te gebruiken. Wie iets bewaart, die heeft wat. "Het doet even pijn," zegt de man als hij met de tatoeagenaald met zijn werk begint, maar wat weet hij van pijn. Pijn doet geen zeer. Hij speelt een spelletje landjepik. Dit deel is voor de raditoherapeut, dat deel is voor de uroloog, maar wat is er nog voor mij? De toekomst zal ik maar denken. Congo, mooi boek trouwens, naar dat land wil ik nog wel toe, want daar ben ik nooit geweest. Er zijn nog zo veel andere landen die nog op mijn lijst staan. Nee, ik ben echt nog niet klaar. Terug |