Week 47-2011
"Wilt u voor- of achterin zitten?" vraagt de taxichauffeur die me komt halen voor de eerste bestraling.
"Achterin," antwoord ik. "Ik wil nog wat lezen."
Enigszins teleurgesteld verschuift hij de voorstoel zodat ik wat meer beenruimte krijg.
"Hoe zullen we rijden?" vraagt hij en als ik mijn voorkleur over een route uitspreek zegt hij: "Ja, dat moet u natuurlijk helemaal zelf weten."
"Ik ga vaak naar het VUMC," merk ik op. "Ik werk daar en weet ondertussen wel wat de slimste manier is om er te komen."
"O ja?" Informeert hij. "Wat doet u daar?"
"Ik geef er les," leg ik uit en voor ik mijn boek uit mijn rugzak heb kunnen halen ben ik al in een gesprek verwikkeld. Omdat ik begrijp dat ik me niet anders dan op onbeleefde wijze aan communicatie met de chauffeur zal kunnen onttrekken besluit ik me er maar aan over te geven. Dat is waarschijnlijk wat je in het leven meestal het beste kunt doen bij dingen waar je eigenlijk geen zin in hebt. Ook van afwas doen en bestraald worden moet je iets leuks zien te maken.
Thuis heb ik nagedacht hoe ik me straks bij de balie van de bestralingsafdeling zal melden. "Ik kom voor de zonnebank", zal ik zeggen. En dan kijken we elkaar aan op een manier van jongens onder elkaar. Wij zijn de levenden die nog lang niet dood gaan. Al die andere patiënten zijn van een andere categorie.
"Mag ik u vragen, hoe oud u nu bent?" zegt hij. Nadat ik mijn leeftijd heb gezegd lacht hij breed. "Ik ben negenenzestig. Er moet er altijd een baas boven baas zijn."
Ik merk dat de chauffeur geen idee heeft waarom hij mij naar het ziekenhuis rijdt en dat wil ik zo houden. We belanden in een gesprek van grijze mannen. Over de kleine en grote kwalen van het leven. "Ik ben dit werk gaan doen tegen de verveling," vertrouwt hij me toe." Als tijdsbesteding."
Omdat hij aanneemt dat ik in het ziekenhuis praktiseer komt vervolgens zijn diabetes aan de orde. Mensen maken graag van de gelegenheid gebruik om aan artsen die ze bij toeval ontmoeten te vragen of er ´tegenwoordig echt geen betere behandeling is´. Ze zijn allemaal bang zelf een dokter te hebben die het laatste medische nieuws per ongeluk gemist heeft. Ik heb echter niet veel meer te melden dan gezond eten, voldoende bewegen en regelmatig laten controleren.
"Heeft Leen u wel eens gereden?" vraagt hij.
"Ja," zeg ik. "Pas dacht ik nog aan hem. Die heeft toch ook suiker. Hoe gaat het toch met hem?"
"Overleden," vertelt hij. "Hij ging met pensioen en kort daarop overleed zijn vrouw. Drie maanden later was hij er ook niet meer. Ja, toen zijn vrouw nog leefde werd er nog goed voor hem gezorgd."
De conversatie glijdt nu naar levenseinde en de grote finale. Dat kan er nog wel bij. Nog even, dan ben ik bij het ziekenhuis. Of we er op tijd zullen zijn vraag ik me echter wel af, want omdat hij me beleefd via zijn achteruitkijkspiegel aan blijft kijken is zijn snelheid teruggezakt naar tachtig kilometer per uur.
"Als het bij mij zo ver is," zegt hij. "Dan hoef ik al die behandelingen niet hoor. Laat mij maar gewoon gaan. Je gaat toch niet voor die paar maanden meer al die ellende op je nek halen."
Wat zal ik antwoorden? "Daar heb je gelijk in," zeg ik maar.
"Waar moet u precies zijn?" vraagt hij. Het liefst zou ik hem vragen me op de hoek af te zetten. Dan loop ik wel naar de polikliniek. Maar waar moet hij dan een uur wachten? Er zijn nu eenmaal speciale parkeerplaatsen voor de taxi´s die mensen voor de afdeling bestraling brengen.
"Radiotherapie," zeg ik, want dat klinkt niet zo dramatisch als bestralingsafdeling.
"Tot zo," zeg ik als hij me er netjes gebracht heeft en ik stap snel uit. Bij de balie maak ik de flauwe grap over de zonnebank toch maar niet.





Terug