Week 48-2011
"Heeft u vorige week nog last gehad van de bestraling?" informeert een van de twee medewerksters van de afdeling radiotherapie. Samen verschuiven of kantelen ze zorgzaam mijn onderlichaam telkens een beetje tot in ik in de juiste positie lig, zich daarbij excuserend voor hun koude handen. Het gaat immers maar om een klein plekje in het bot in mijn heup waar een uitzaaiing zich heeft durven laten zien. Het komt aan op nauwkeurigheid.
"Een klein beetje spierpijn in die bil," antwoord ik. "Kun je er ook darmklachten door krijgen?"
Ze kijken elkaar aan alsof ze overleggen of ze er wel op in kunnen gaan. Mogen we dat wel? Kun je een patiënt wel altijd alles over mogelijke bijwerkingen vertellen? Een van de twee zegt: "Dat is wel eens mogelijk. Ja."
Dus van daar dat ik de avond erna ongemakkelijk achter mijn computer zat en de hele nacht mijn lieve vrouw uit haar slaap heb gehouden met mijn imitatie van de borrelende gasbel van Slochteren. Wat winderigheid behoort niet echt tot de grote levensproblemen als je de hoop kunt koesteren dat met de bestraling van dat irritante verkeerde puntje in mijn heup het prostaatkankerproces misschien weer een tijdje in de slaapstand kan worden gehouden.
Ik laat weer een verbluffend staaltje stil liggen zien en tevreden over mijn geweldige prestatie kleed ik me na afloop van de sessie snel aan. Mijn mooie pak aan, want ik ga met Marion naar de première van de film Nova Zembla. Ze wil wel dat ik na de bestraling even een uurtje ga rusten en probeer haar er niet nog eens van te overtuigen dat het allemaal niet zo veel voorstelt, want ze beschouwt dat als kinderachtig machismo van me.
Voor ik de bunker kan verlaten komt de arts op me af. Het lijkt of hij me toevallig tegenkomt, maar als hij zegt "Kunt u even meekomen om te praten" begrijp ik dat hij op me aan het wachten was.
"Ik wil even met u overleggen hoe het nu gaat," zegt hij.
"Goed," antwoord ik omdat ik eerlijk probeer te zijn en me geen andere kwalificatie van mijn toestand te binnen schiet.
"Geen bijwerkingen?" wil hij weten.
"Kun je er darmklachten van krijgen?" vraag ik, want ik wil hem niet teleurstellen. Hij moet tenslotte ook wat in zijn papieren noteren.
"Dat is heel onwaarschijnlijk," antwoordt hij. "We raken die darmen helemaal niet."
Wie heeft er gelijk? De twee dames of die ene dokter? Vanavond zal ik wel merken of ik weer begin te rommelen en te blazen.
"Nog een bestraling," zegt hij, "en dan moeten we daarna weer een keer overleggen. Maar dat kan ook telefonisch. We moeten niet vergeten daarvoor even een afspraak te maken."
´s Avonds verzamelen zich in de RAI druk pratende mannen met vlinderstrikken en vrouwen in hun mooiste jurken. Wekenlang bezoek aan sportschool en ontslakkeningskuren hebben gezorgd dat de lichamen in topconditie zijn. Rondkijkend langs de decolletés wordt ik droevig van het besef ik dat negen procent daarvan binnen vijfentwintig jaar bestraald zal zijn en verwijderd. Zeven procent van de haantjes zal door hormonale behandeling van prostaatkanker een paar toontjes lager zingen.
Tijdens de filmvoorstelling is het bijna net zo koud als het tijdens de overwintering op Nova Zembla moet zijn geweest, maar ik ben volgepompt met radioactieve stralen en mijn lieve vrouw klampt zich aan me vast vanwege de warmte die ik verspreid. Wees zuinig met energie. Terwijl de ijsschotsen beginnen te kruien en met lawaai tegen de wand van het vastgeraakte schip van de ontdekkingsreizigers aanbotsen, beginnen de krampen en rommelingen in mijn buik. De lucht kan maar een kant op en terwijl ik tijdens de receptie na de film zo ontspannen mogelijk babbel met mensen die ik half of goed ken, voert mijn benedenlichaam eveneens een zacht fluisterend gesprek. Toch denk ik dat niemand het merkt omdat de muziek erg luid is en ik al bijna de gewone gesprekken niet kan volgen.
Om twaalf uur feliciteren we een vriendin die jarig wordt en verdringen ons in een groepje staande rondom haar. De ontladingen zijn op dat moment op hun hun hevigst. Niemand kijkt vreemd naar me. Dan draai ik me om en zie twee dames zittend vlak achter me en ik hoop maar niet dat zij mijn onduidelijke geluiden wel opmerken. Ik wil niet vergeten worden, maar ook niet herinnerd als een lekkende gasfles.




Terug