| Week 49-2011 Wij bestraalden hebben het niet gemakkelijk. De radiotherapie stelt weinig voor, maar probeer dat maar eens aan anderen te verkopen. Op hen maakt louter het noemen van het woord al een verpletterende indruk. Bestraling. Ojee, dan ga je bijna dood. Dat het lang zo ellendig niet is als een stevige chemokuur, daar hoef je niet over te beginnen, want menigeen begrijpt niet het verschil met een chemokuur. Gelukkig zal men niet zo maar zeggen dat ik er slecht uit zie. Daar zijn mensen te beleefd voor, maar van de vorige reeks bestralingen herinner ik me dat menigeen me een paar maanden later wel toevertrouwde dat ik er goed uitzag. "Veel beter dan een tijdje geleden". Enig voorbehoud is op zijn plaats. Misschien was het ook wel zo, maar wilde ik het gewoon niet zien. Die eerste keer, acht jaar geleden, werd ik net als nu in het najaar bestraald en in de maand november is echt elk bewijs dat ik ooit de zon op mijn gelaat voelde verdwenen. Grauw word ik daar van. Van mijn moeder mocht ik daarom ook nooit een witte trui hebben, ook al waren die in de mode. Haar argument was dat het me zo bleek maakte. "Je krijgt er zo“n armoedig smoeltje van", zei ze, maar ik verdacht haar tegen het wassen van zo“n trui op te zien. “Zo“n trui is te besmettelijk," zei ze namelijk op haar geheel eigen wijze als ik er in de zomer om vroeg. Elk jaar breekt de lente breekt weer aan en mijn gezicht fleurt op. Als ik in de spiegel kijk weet ik dat het niet de blootstelling aan de radioactieve stralen is, maar het ontbreken van zonnestralen dat me er bleek uit doet zien. Zelfs mijn lieve vrouw dringt er bij me op aan gedurende de bestralingsweken niet te veel werk aan te nemen en het rustig aan te doen. "Zou je niet even gaan liggen?" informeert ze zelfs. Het vertedert me zo dat ik het doe, maar voor haar. Ik heb om de zelfde reden wat afspraken afgezegd. Echt vervelend is het niet, want sinds ik al mijn oude foto“s aan het scannen ben, lijkt het of ik aan een reis naar een prachtig verleden begonnen ben en ik heb moeite me eruit los te maken. Het enige nadeel ervan is dat het is of ik de balans van mijn leven aan het opmaken ben en dat is iets waar ik niet van wil horen. Dat doe ik wel als ik dood ben. Dan heb ik daar tijd genoeg voor. Op een zaterdagochtend werd er gebeld. "Verwacht jij iemand?" informeerde ik. "Nee," zei Marion en dus moest ik wel open doen. Er stond een man met een grote bos bloemen voor de deur. Ik nam ze aan zei tegen Marion "Bloemen voor je", maar op het kaartje dat erbij zat las ik dat de bos voor mij bedoeld was. "Heel veel sterkte met de behandeling", stond erop en het kwam van een organisatie waar ik mee samenwerk. Het was verwarrend, want ik voelde me blij worden door dit blijk van medeleven, maar tegelijkertijd werd ik overvallen door schuldgevoel. Zo erg is het nu toch ook weer niet. Bovendien vind ik de bestraling niet echt vervelend, maar ben ik blij dat hij bestaat. Misschien lukt het namelijk om die ene uitzaaiing in mijn heupbot het zwijgen op te leggen. De andere nog onzichtbare verdwijnen er niet mee, maar het biedt redelijke hoop op verlenging van de periode waarin ik nog geen zwaardere middelen hoef te gebruiken. Het is of er een code bestaat waaraan je als kankerpatiėnt moet voldoen. OK, er zijn enkele privileges aan verbonden, maar dan moet je het wel zichtbaar zwaar hebben, anders wil iedereen wel kanker hebben. De voordelen mogen nooit groter worden dan de nadelen. De regels van dat spel benauwen me. Ik wil de rol van prostaatkankerpatiėnt niet spelen. Daar heb ik nooit voor gekozen. Een klein beetje macho zorgt daarom waarschijnlijk dat niemand het weet. Ik snap ook waarom mannen er niet graag over praten. In de strijd om te overleven mogen ze geen zwakte tonen. De vijand springt op je nek als hij weet dat je je niet meer kan verweren en legt je de regels van het patiėntenspel op. Laat me helder samenvatten wat er met me aan de hand is. De bestraling is weer voorbij, dank voor alle vriendelijke aandacht, maar het deed geen pijn, maakte niet bang, was hoogstens hinderlijk, misselijk ben ik niet geworden, maar sliep uitstekend, mijn haar zit nog op mijn hoofd en ik ben er nog helemaal. Ik kan stukjes schrijven, twitteren en lezingen geven. Niet kapot te krijgen. Terug |