| Week 50-2011 Plichtmatig lees ik elke week alle artikelen die over prostaatkanker gaan. Dat gebeurt echt niet met plezier, want ik vind het een vreselijk saai onderwerp. Ik hou van het werk dat ik doe en verdiep me graag in de manier waarop je ziekte voorkomt, maar dat is voor mij meer dan genoeg. De rest, dat genezen, is gewoon niet mijn ding. Preventie is opwindend want het heeft alles met menselijk gedrag te maken en het gaat daarbij om de redenen waarom mensen dingen doen die ze beter kunnen laten. Dat hangt weer samen met wat ze gelukkig maakt, wat ze denken dat hun opdracht in het leven is, door wie ze zich laten beļnvloeden en zorgt ervoor dat ze worden wie ze zijn. We zijn mensen die graag zoet en vet eten, de vervelende dingen liever vergeten, een glas wijn niet kunnen laten staan, die overspel plegen en roken terwijl we weten dat het erg onverstandig is. Gedrag, ja dat boeit me, maar gewoon alleen maar zo“n prostaat helemaal niet, zeker niet als er ook nog kanker in zit. Maar ja ik heb het nu eenmaal. Dus lees ik erover omdat ik dan tenminste een beetje met mijn dokter mee kan praten. Over de Da Vinci methode en over PSA, over de Gleason score en androgeendeprivatie. Het is een wereld waarvan ik zonder die kanker geen weet zou hebben gehad. Tot negen jaar geleden leefde ik namelijk nog in de veronderstelling dat Da Vinci een groot schilder en uitvinder was, terwijl ik van Gleason vermoedde dat hij het gemenebestrecord hink-stap-sprong op zijn naam had staand. Moet ik al die artikelen lezen omdat ik de dokter nooit op zijn woord kan geloven? Ik weet het niet, want wij mensen bedriegen onszelf het hardst en geloven vooral wat ons het beste uit komt. Alks een uroloog op zijn werk komt heeft hij volgens mij niet de vooropgezette bedoeling het zijn patiėnten eens lastig te maken. Goede bedoelingen, daar ga ik van uit. Daarnaast is zo“n uroloog natuurlijk wel behept met alle menselijke eigenschappen. Dat houdt in dat hij wel eens slordig is en dat hij wel eens geen zin heeft om iets te lezen waardoor hij net iets over het hoofd ziet. Maar dat hij mij opzettelijk verkeerd behandelt en slecht inlicht, nee daar ben ik echt niet bang voor. Toen ik ongeveer een half jaar vanwege dat malle gezwel onder behandeling was moest ik op spreekuur komen. Achter het bureau zaten meer mensen dan ervoor. Mijn vrouw en ik, dat was alles aan onze kant. Het leek wel of ik tegenover een examencommissie zat en er was niet eens een behoorlijke zitplaats voor alle examinatoren. Centraal zat de uroloog die me tot dat moment behandelde. De bestralingsarts die moest beoordelen of ik wel in aanmerking kwam voor zijn radioactieve stralen zat wat achteraf, maar had tenminste nog een krukje bemachtigd. Daarachter stonden de nodige jongens en meisjes in opleiding. Jeroen tenslotte, die mij nog zou opereren om te zien of mijn lymfeklieren niet boordenvol ontuchtige zich snel vermenigvuldigende kankercellen zaten, zat breeduit op een echte stoel naast mijn eerste protaatdokter. Gelukkig bracht ik het er goed van af tijdens dat examen. Bestraling was voor mij weggelegd. Op de gang begon Jeroen nog even een gesprek met de arts bij wie ik altijd kwam en mij. "Hij slikt toch veel te veel hormonale medicijnen naast de buikprik die hij ook al krijgt," zei hij. "Dat kan toch niet." Onmiddellijk was duidelijk wie hier het alfa-mannetje was. Dat lijkt me een goede eigenschap voor een chirurg. Vanaf dat moment was hij mijn uroloog. Het is met zo“n arts als met alles in het leven. Je kiest hem niet echt en hij heeft zelf al helemaal niets te kiezen. Geleidelijk ga je steeds meer eigenschappen van elkaar waarderen. Zei hij in het begin nog een keer dat ik van het type “mondige patiėnt“ was, tegenwoordig lijkt hem dat juist te bevallen. Het lijkt op een gearrangeerd huwelijk. Je hoeft niet van elkaar te houden om het samen lang uit te houden en de genegenheid komt vanzelf. Gearrangeerde huwelijken duren meestal ook wat langer dan de verbintenissen die uit passie zijn geboren. Vorige week is mijn uroloog professor geworden. Tijdens zijn oratie zag ik hem voor het eerst zonder witte jas in zijn toga en met de malle professorenmuts op zijn hoofd. Het is een prettig idee dat hij iemand is die al die tijdschriftartikelen over prostaatkanker met liefde leest en aan andere boeken niet toekomt. Die andere boeken lees ik wel. Terug |