| Week 51-2011 De dagen zijn kort en ik scan oude foto´s om het licht van vervlogen dagen te vangen en het voor eeuwig te bewaren. Het is begonnen met een boek dat Marion en ik maken over Bali. Zij heeft de tekst geleverd, bestaande uit zestien korte verhalen die ze in de loop van de afgelopen vijfendertig jaar over het eiland schreef en ik zorg voor het fotomateriaal. Op de foto´s zie ik ons als de dag ten einde komt lopen over een strand en alles wordt van goud. In de bergen tussen de rijstvelden komt de zon nog even terug na een hevige regenbui en tooit de vegetatie in een feestjurk van heldere kleuren groen, zoals je het nergens anders ziet. Overal licht. Op de foto´s zijn we jong. Kinderen zijn we, die alles kunnen en mateloos nieuwsgierig zijn naar wat er gaat komen. Van prostaatkanker hebben we nog nooit gehoord. Zelfs ik niet, terwijl ik toch geneeskunde gestudeerd heb. Ja, er kan kanker in elk orgaan ontstaan, maar dat valt niet onder echte kennis denk ik. De lach van de onoverwinnelijkheid in onze gezichten is aanstekelijk. We zijn ondertussen niet meer de zelfde mensen en hebben sindsdien een lange reis gemaakt, een prachtige reis, met vreugde en soms pijn. Dag in dag uit ben ik foto´s aan het scannen en kan niet meer stoppen. Het is onmogelijk te zien welk geheim de negatieven bewaren en doe daarom alles in de machine. Omdat ik begonnen ben met het recente materiaal is er sprake van een reis terug in de tijd en uiteindelijk ontmoet ik zelfs weer mijn vader. Ik was vergeten hoe hij eruit zag, want ik had één specifieke foto in mijn hersenen bewaard. Toen die foto genomen werd moet ik elf jaar geweest zijn. Mijn vader zit zelfbewust op een rieten stoel ergens in Zandvoort. Zijn armen liggen ontspannen op de leuningen en zijn handen hangen naar beneden. Zijn vingers draaien over elkaar heen. Ik mag een dagje met hem mee als hij met zijn koopwaar naar Haarlem gaat en even pauzeert op een terrasje aan het strand. Maar op de foto´s die ik van hem gevonden heb is hij al oud en kwetsbaar. Zijn schouders zijn ingezakt en hij lacht dankbaar om alle aandacht die hij nog krijgt. Hij houdt Kaja vast, die een jaar of twee is, en aan iedereen zijn liefste glimlach schenkt. Ikzelf glim van arrogantie omdat ik jong ben en niet weet wat me nog te wachten staat. Al weken ben ik met die reis door mijn fotoarchief bezig. Tienduizenden foto´s haal ik terug uit de vergeten diadozen op zolder en verdwenen gewaande mappen met negatieven. Het sleurt me mee in een niet onaangename stroom van nostalgie. Omdat ik tegelijkertijd bestraald word krijgt het iets van het opmaken van de balans van mijn leven, en dat voelt op zijn beurt weer aan als een voorafschaduwing van een afscheid, waar ik nog lang niet aan toe ben. Als ik dan ook nog voor een radioprogramma gevraagd word een brief te schrijven aan mezelf als twintigjarige dreig ik helemaal ondergedompeld te worden in de Styx. Een week na het schrijven van de brief word ik ook nog tweeëneenhalf uur geïnterviewd naar aanleiding van wat ik op papier heb gezet. Vermoedelijk heeft de interviewer geen idee hoe zwaar het is om over mezelf te praten. O, ik heb geen moeite met nog een keer vertellen hoe gek het was de hormonale prostaatkankertherapie te ondergaan en te merken hoe de lust verdween. Je ontdekt dat soort dingen nu eenmaal het beste als ze weg zijn. Maar er zijn ook zaken die te moeilijk zijn om te delen met een paar duizend radioluisteraars die ik helemaal niet ken. Ik ben bovendien een meesterverdringer als het aankomt op pijn en teleurstelling en haal mijn kracht uit het optimistische gevoel dat het beste altijd nog moet komen. Het houdt in dat ik sommige dingen niet hardop kan zeggen omdat ik de dan de magie van mijn overleefstrategie verbreek. Ik maak me liever wijs dat het gouden zonlicht nog steeds op onze gezichten schijnt, dat de stroomversnelling veroorzaakt door de prostaatkanker slechts een obstakel op mijn reis is dat moet worden genomen. Ik wil niet al te lang stil staan bij het besef dat ik op de foto nu de plaats van mijn vader in heb ik genomen, Kaja de arrogante jonge kerel is en mijn twee kleindochters bij ons zijn komen zitten en gul lachen naar iedereen. Voor hen ligt alles nog voor ze. Terug |