| Week 07-2012 Bollebozen interviewden 1900 artsen in de Verenigde Staten over eerlijkheid. En wat denk je? 1 op de 10 artsen jokt wel eens tegen z“n patiėnten. In het onderzoek dat in het blad Health Affairs staat werd ook nog naar andere vormen van oneerlijkheid gekeken. Zo blijkt 1 op de 3 artsen niet toe te geven een fout te hebben gemaakt en houden 2 op de 5 artsen hun mond over banden met de makers van geneesmiddelen. Verrast me dat? Nee hoor, artsen zijn net echte mensen. Communicatie is een spel tussen mensen waarbij de inzet een compromis over de werkelijkheid is. Of je alles jokken kunt noemen is afhankelijk van of het compromis overeenkomt met jouw visie erop. De grenzen tussen interpretatie en definitie zijn vloeiend. Patiėnten jokken regelmatig en artsen net zo zeer, maar meestal houden we onszelf voor de gek. Het benutten van het placebo-effect kun je bijvoorbeeld zien als de geļnstitutionaliseerde leugen van de geneeskunde. Wettelijk is een arts verplicht om zijn patiėnten duidelijk te vertellen wat hij gevonden heeft en wat voor- en nadelen van de behandeling zijn. Maar wat als hij niets heeft kunnen vinden en daarom maar een fopmedicijn geeft? Wat doet hij dan? Eerlijk vertellen? Dat komt er dus zo ongeveer op neer dat een arts dan moet zeggen: "Luister eens mijnheer, ik geloof dat u niets mankeert en dat u van alles in uw hoofd haalt, maar ik doe nu net of ik u een echt medicijn meegeef en dan zal je zien, dan gaat het vanzelf over omdat u gerustgesteld bent." Wat doet een arts in zo“n geval echter? Hij jokt tegen zichzelf en tegen zijn patient door een reden in zijn hoofd te halen om zijn leugentje voor bestwil goed te praten. Of hij schrijft een medicijn voor dat wel werkt, maar bij de betreffende patiėnt zinloos is. Wie weet helpt het. Naarmate klachten vager zijn en het uitzicht somberder is verzanden we steeds meer in de moerassen van de vertroebelde waarheid. We zitten dan in het schemergebied van de geneeskunde, het no man“s land waar geen regels voor te bedenken zijn. Toen ik jong en onverschrokken was en ik er nog van overtuigd dat de wereld flink moest verbeteren omdat er niets van klopte, vond ik dat artsen altijd en in alle gevallen eerlijk moeten zijn. Al toen ik coassistent was voelde ik echter hoe verleidelijk het was om de waarheid rooskleuriger te verpakken. Waarom mensen nodeloos ongerust maken als je het zelf niet goed weet? Maar ja, toch moeten mensen uiteindelijk zelf beslissen of ze de waarheid in zijn volle wreedheid willen horen. Toen ik gevraagd werd door het werkteater om mee te werken aan een toneelstuk over de onhandigheden rond het dood gaan in ziekenhuizen kwam dat rare dilemma ook aan de orde. Moet je iemand die kanker heeft dat altijd vertellen? Ja, nu gruwen we bij het idee om dat niet te doen, maar in 1975 was dat helemaal niet zo gebruikelijk. Ik had in de Volkskrant een aantal stukken over verschillende kankervormen, hun verschijnselen en prognose geschreven en de redactie kreeg stapels boze brieven. Kinderen moesten “s morgens vroeg naar het ouderlijk huis om de pagina waarop mijn columns stonden stiekem uit de krant te halen, want pappie hoefde dat allemaal niet te lezen omdat hij dan zou begrijpen wat hij had en hoe zijn toekomst eruit zag. Als ik niet stopte zouden ze hun abonnement opzeggen. Omdat het werkteater al improviserend tot zijn uiteindelijke toneelstukken kwam probeerde ik bij de eerste bijeenkomst een patient te spelen die wegvlucht voor de werkelijkheid, niet wil horen wat er aan de hand is, selectief luistert en zo de arme dokter die wil uitleggen wat hem mankeert tot wanhoop drijft. Het was een geweldige oefening, zowel voor de acteurs als voor mijzelf. Ik denk tegenwoordig vaak aan de periode waarin ik bij het werkteater meedeed. Als mijn moeder me vraagt hoe het met me gaat, lach ik altijd breed en zeg “fantastisch mam“ en als ze aandringt en zegt “want ik hoor wel eens van andere mensen dat het niet goed met je gaat“ dan ontbreekt het er nog maar net aan of ik zeg “zo gezond als een vis“. Wat moet zij op haar tweeėnnegentigste nou met de waarheid van mijn PSA-uitslagen? Iemand van 63 met een medische opleiding snapt er al nauwelijks iets van. Ik vraag me ook vaak af wat artsen moeten in een tijd van onderzoeksresultaten die een ongrijpbare dood voorspelen, waarvan ze niet goed weten wanneer die precies zijn slag zal slaan. Moeten ze mensen wel belasten met wat zij in ons bloed zien? Is hun waarheid echt zo waar als onze eigen werkelijkheid van onnozelheid? Of zoals ik onlangs iemand schreef die naar mijn gezondheid informeerde: Met mij gaat het goed, maar hoe het met de kankercellen gesteld is, daar bemoei ik me niet mee. Wat geeft artsen het morele recht om je te vertellen dat je PSA is verhoogd en dat je nu moet gaan kiezen welke behandeling je ondergaat om niet ten onder te gaan aan prostaatkanker? Ik weet dat allemaal zo precies niet meer als toen ik 28 was en hoop maar op een arts die zijn onzekerheden uit durft te spreken, die niet doet of hij de wijsheid in pacht heeft. Ik wens een gesprek als het volgende. "Dan moet ik nu zeker die hormoonprik in mijn buik weer hebben, want de PSA had na die bestraling een stuk lager moeten zijn, zeker niet verhoogd." "Nou, laten we nou niet te hard van stapel lopen. Je voelt je toch goed?" "Maar het risico van andere uitzaaiingen? Waar er een is, zijn er vast meer." "Met die buikprik ben je niet snel te laat. Laten we gewoon nog acht weken afwachten. Prikken we de PSA nog een keer, kijken of hij verder is gestegen en dan neem je zelf een besluit." Acht weken afwachten, dat zal ik doen. Eerlijk waar. Terug |