| Week 11-2012 "Eind 2010 kreeg mijn man te horen dat hij prostaatkanker heeft met uitzaaiingen," schrijft iemand me. "De verpleegkundige die normaal gesproken mensen opvangt na een slecht nieuws gesprek, was er even niet. Er werd haastig een andere verpleegster van haar werkplek gehaald om een gesprekje met ons te voeren. Toen ik haar vroeg hoe ik dit slechte nieuws in godsnaam aan onze 13-jarige zoon moest vertellen, begon zij te huilen." Oog in oog met het lot zijn we onmachtig. Je kunt dapper schreeuwen en het uitdagen, zeggen dat je het eerst nog wilt zien omdat je zult winnen, je kunt radeloos hopen dat er een vergissing is gemaakt, maar het enige dat rest zijn tranen. Toch steekt de hoop steeds weer op. Misschien is er toch een oplossing, waar niemand aan gedacht heeft. De uitslagen kunnen verwisseld zijn en de dokter heeft de gegevens van een andere man bekeken. Er kan wel een behandeling bij een stam ver weg zijn, waar niemand van weet, maar die bijzonder krachtig is. Volgende week kan er wel een bericht in de krant staan over iets wat ontdekt is, waardoor de dood die al achter de deur klaar stond het hazenpad kiest. De media verzekeren ons op aangeven van onderzoekers die aandacht en meer geld voor hun werk nodig hebben dat er nieuwe behandelingen op komst zijn. In plaats van je af te vragen of dat een redelijke verwachting is begin je je af te vragen of die middelen er voor jou nog op tijd zullen zijn. De toekomst voor behandeling van kanker leek tot deze week in de geïndividualiseerde behandeling te liggen. Zoeken naar de beschadiging van de genen die bij jou verantwoordelijk zijn voor het doemscenario en dat dan via gerichte medicatie aan pakken. Overal gonsde het bericht: op congressen, in de spreekkamers van artsen, in de hoofden van behandelaars die niet moedeloos willen worden van het ontnemen van de hoop en wij kankerlijers wilden het ´t liefst van allemaal. Maar het lijkt niet te mogen. De gezwellen zitten niet zo simpel in elkaar en kanker verschilt per gebiedje. Het betekent een deuk voor het optimisme dat we er spoedig iets aan zullen kunnen doen. Een vriend vertelt dat zijn 51-jarige vrouw met een vriendin in een restaurant zat te eten toen ze in eens onwel werd, buiten bewustzijn raakte en een hersenbloeding bleek te hebben gehad. Ook hij en zijn vrouw hadden een zoon van dertien. Onmacht en boosheid. "Ik accepteer dat niet," willen we roepen. Maar er is geen loket waar we met onze klachten terecht kunnen. Na twee weken was de spraak de vrouw terug en ze is nu bezig met revalidatie. Haar been doet al weer wat, haar arm is nog volledig verlamd. "We hopen dat het weer zo veel mogelijk herstelt," zegt de vriend. We hebben de hoop net zoals kanker in onze genen zitten. Dat hebben we nodig om door te kunnen gaan. Hoop verloren, al verloren staat op de tegeltjes. Het is zo. Hoop is de brandstof voor ons uit elkaar vallende lijf. Zonder de hoop glijdt het leven uit ons weg. Op de intensive care in een Amerikaans ziekenhuis werd onderzocht hoe familieleden van opgenomen patiënten reageren op slecht nieuws van de arts. Zelfs als ze het nieuws krijgen dat hun geliefde waarschijnlijk zal overlijden zijn ze overdreven optimistisch over zijn kansen. Twee derde van de mensen denkt dat de boodschap dat iemand vijf procent kans heeft goede vooruitzichten biedt. We moeten wel, want zonder hoop komen we dag niet door. De Cruyffiaanse spindokter in ons hoofd maakt van elke tegenslag een voordeel. Kan de waarheid op tegen de hoop? Onderzoek naar een positieve optimistische houding op levensduur bij kankerpatiënten laat zien dat het geen minuut uitmaakt. Maar tot we dood gaan heeft de hoop het leven draagbaar gemaakt. Daarom zou niemand je de hoop af moeten nemen. Nee, sterker nog hou het vuur van de hoop bij elkaar brandende en geloof in wonderen. "Ik heb er een goed gevoel over," zegt mijn vrouw tot onze vriend als we afscheid van hem nemen. "Het komt vast goed." Terug |