Week 12-2012
Iemand zei ´het is rokjesdag´ en we gingen met onze kleindochters naar het strand. Op het terras in de prille lentezon zaten de moeders met hun kinderen. Hun stemmen gingen een octaaf omhoog en werden scheller als er een vader met zijn kroost langs kwam. De kinderen vonden elkaar en speelden vadertje en moedertje. Ik herkende ze, de mensen met kanker die niet weten of dit de laatste keer is dat ze de eerste zon van het jaar meemaken. Met gesloten ogen achter hun zonnebril koesteren ze de warmte op hun gelaat, hun hoofd glimlachend opgeheven. Mensen die van hen hielden, hadden met zorg een deken om hun benen geslagen en duwden na zonsondergang het invalidenwagentje terug naar de auto.
Ik keek naar de gezichten van mijn kleindochters. Die begrijpen het begrip tijd en eindigheid nog maar nauwelijks. Er is gewoon elk jaar een eerste lentedag.
Onlangs had ik een zakelijk gesprek met iemand die een boek met mijn foto´s wil uitgeven en Helena bracht op het kleine dienblad in haar klein potje thee en schonk minuscule kopjes vol voor de bezoeker en mij. Daarna kwam ze bij mij op schoot zitten alsof ze mee wilde doen aan de bespreking.
Mensen zijn verbaasd over mijn grote fotoarchief. Ik heb mijn leven lang gefotografeerd en nadat in de jaren zeventig van de vorige eeuw de dia-avonden uit de mode raakten, plakte ik de foto´s in boeken die ik trots aan mijn moeder en schoonmoeder toonde en toen de digitale fotografie kwam zag niemand mijn foto´s nog. Alles gedocumenteerd, maar te veel om te delen.
"Toen ik kanker kreeg," zei ik tot de fotoboekenuitgever, "kreeg ik steeds meer behoefte de foto´s te bekijken en ik begon ze uiteindelijk ook op Facebook te delen."
"Kanker?" vroeg Helena geschrokken en dwars door het gesprek heen. "Heb jij kanker?"
"Dat kreeg ik ja," antwoordde ik. Wie praat er nu met een kind van zes over zulke dingen en waarom zou ze dat ook weten? Ik ben een gewone opa. "Maar dat wordt behandeld hoor." Het stelde haar gerust en het gesprek over onze boekplannen werd vervolgd. Helena zweeg en pas toen ik wat foto´s van haar grootmoeder op mijn scherm toverde hoorde ik haar zeggen "Een filmster".
Hoe kun je uitleggen aan mensen die geen kanker hebben wat het precies betekent? Hoe het begrip tijd een gezicht heeft gekregen, met gemene trekken. Een woedende opstand van lichaamscellen tegen de regels van wat tot dat moment de gewone gang van zaken had geleken. Toen ik prostaatkanker kreeg en er over schreef vermeed ik aanvankelijk het woord ook. Het was niet om emotionele redenen, maar uit esthetische. Het wordt zo vaak ten onrechte van stal gehaald dat het een cliché is geworden waar een ieder die van taal houdt van gruwt. Ik heb me er om duidelijk te kunnen zijn overheen gezet en het gaat me steeds beter af: kanker, kanker, kanker. Drie keer maar liefst, hoe lelijk het ook klinkt. Dan maar geen literatuur.
Het is niet voor niets een cliché geworden want het maskeert en geeft tegelijkertijd toegang tot het grootste taboe in ons leven: dat we allemaal sterven, dat kanker voor ons de meest waarschijnlijke sterfteoorzaak zal zijn en dat we daar nooit en te nimmer aan toe zijn. Het is overigens niet eens voor kankerlijers zelf dat het woord zo beladen is, maar vooral voor alle anderen. Ze willen er niet van weten en maken zich ervan af door de K´s in het woord hard en fel uit te spreken, zo van ´kijk eens, het doet me niets´ of ze vermijden het zo veel mogelijk.
Mijn kleindochter hoorde later dat ik uitlegde over de uitzaaiing in mijn linker heup en ze zei een beetje verontwaardigd: "Maar je zei dat het over was." Hoe moet je toch uitleggen dat als het woord eenmaal gevallen is het nooit meer hetzelfde zal zijn? Dat kanker ongeneeslijk is, want zelfs als het gezwel weg is, verdwijnt het nooit meer echt uit je hoofd. Zelf probeer ik er zo weinig mogelijk over te denken. Volgende week een PSA laten prikken om te kijken of de aanpak van de uitzaaiing in mijn heup niet toevallig toch succesvol is geweest. Ach, laat me liever kijken naar de meisjes met hun zonnebrillen die lachend van de duinen rennen en schelpen wassen in de zee.
"Opa, foto!" roepen ze. Dat doe ik. Voor de eindeloze collectie die het leven eigenlijk is.




Terug