Week 21-2012
"Opa jij bent eigenlijk nooit ziek," zegt mijn kleindochter zo maar zonder aanleiding. Mijn kleindochter en ik zitten veel tijd samen in de auto. Van school halen en naar hockeytraining, dan naar zwemles en tussendoor ergens de tijd doorbrengen want toen god de kindersporten uitvond dacht hij er niet over na dat het voor grootouders handig is als het een beetje op elkaar aansluit. De intimiteit van de auto verleidt ons tot diepgaande en belangrijke gesprekken. Bijvoorbeeld over gezondheid. Mijn leven heeft in het teken gestaan van de speurtocht naar wat ziek en gezond zijn. Ik heb er boeken over vol geschreven, maar het antwoord nooit gevonden. Helena, mijn kleindochter weet het wel . Haar opa is in ieder geval nooit ziek en zo voel ik me ook niet.
Wat Helena ook mag denken, ik moet mij toch regelmatig verantwoorden over mijn gezondheidstoestand. "Hoe gaat het nu met je?" Telkens weer word ik verwarmd door die vraag omdat mensen er iets vriendelijks mee uit willen drukken. Tegelijkertijd brengt het me in verwarring, want het enige dat ik ze daarover te vertellen heb is "Fantastisch". Ik ben dan echter bang ze teleur te stellen en dat ze details willen horen over het grote lijden met kanker, maar eerlijkheid gebiedt me echter toe te geven dat het geheel aan me voorbij gaat. Ik ben namelijk niet gemaakt om te lijden, maar voor genieten. Om ze te plezieren vertel ik over mijn PSA. Het is iets waar ik wel zorgzaam mee om ga, want het roept meer vragen dan antwoorden op, ook bij artsen trouwens. Die weten ook niet meer wat ze met die PSA aan moeten. Dus ik zeg vaak iets in de trant van ´stijgende bloeduitslagen´. Een enkele keer ben ik ook nog wat intiemer. Bij mijn opmerking "Ik had onlangs een uitzaaiinkje in mijn heup, maar dat is weer enigszins onder controle hoor" zie ik meestal de liefde voor me in de ogen van de bezorgde kennissen opvlammen. Hartverwarmend, maar het kost me behoorlijk wat moeite om dergelijke intimiteiten met elkaar uit te wisselen. Het is echter belangrijk dat we communiceren, woorden delen en zere plekken tonen zodat de andere honden ze kunnen likken. Zo blijven we deel van de zelfde horde en behouden onze levensvreugde.
Meer moeite heb ik om oog in oog met de gezondheidszorg mijn status te definiëren. De geneeskunde heeft zich bekwaamd tot een fileermes dat haarfijn scheidt wat ziek genoemd wordt en over gezondheid verder weinig weet. Al ver voordat er enig onweer los zal barsten worden de bladzijden van ons levensboek doorgebladerd op zoek naar de signalen van risico´s, genetische aanleg, verhoogde of verminderde kansen. We laten ons willoos in de screeningsprogramma´s meevoeren die de gevaren die ons bedreigen een naam geven en die de niets-vermoedenden eruit selecteert om ze te opereren, bestralen en infusen met gif toe te dienen om het grote kwaad te verdelgen.
Oog in oog met de priesters van ons lot luisteren we naar wat er mis met ons is. Had Ivan Illich gelijk en is de geneeskunde ziekmakend? Jazeker. Ze benoemt eerst alles wat ze als ziek beschouwt en door de miljoenen die in onderzoek zijn geïnvesteerd komt men steeds meer tegen dat ´eigenlijk ook ziek genoemd moet worden´. Dat verschaft vervolgens het recht ons te behandelen. Mocht ik het oordeel van de dokter niet belangrijk genoeg vinden dan steek ik mijn kop in het zand. Ik ben in dat geval niet alleen dom, maar ook een beetje belachelijk. Een Don Quichote die tegen windmolens vecht.
Ik ben nu bijna tien jaar een goede klant van de zorg, terwijl ik voordien artsen alleen als collega´s had meegemaakt, maar ik kom steeds meer tot de conclusie dat het beter is om niet teveel naar ze te luisteren en op het oordeel van mijn kleindochter af te gaan. Met haar overleef ik het allemaal wel. Deze week werd ik 64 en was daar erg blij om, want ik wil graag ouder worden dan mijn vader was toen hij overleed. Ik ben nu in ieder geval even oud als hij.




Terug