| Week 23-2012 Op het grasveld waar ze spelen dat ze prinsessen zijn en ik de goede koning vinden mijn kleindochters een dood roodborstje. "Opa, Opa," roepen ze. "Door de kat gepakt," zeg ik. "Stoute kat," zegt Katelijne, de jongste. Ze begraven hem zodat de wormen het vogeltje op kunnen eten. Daarna sterven de wormen zelf en komen hun restjes in de grond, waardoor het gras kan groeien. Helena snapt het allemaal omdat ze het op school heeft geleerd of The Lion King heeft begrepen. Een kruis van takken gemaakt ligt op het graf van het vogeltje. Iedereen die bij ons op bezoek komt moet even mee komen om er naar te kijken. Later zegt Helena: "Het is wel goed dat die wormen alles opeten." "Ja," beaam ik. "Anders zou het een behoorlijke rommel worden met alle dode mensen en dieren die maar blijven liggen. Er gaan ook zoveel mensen dood." "Waaraan?" vraagt ze. "Kanker en hartziekten," leg ik uit. "Ik denk dat ik nooit kanker krijg," zegt Helena. "Heb jij wel eens kanker gehad?" Vandaag heb ik gelezen dat het aantal mensen dat tot 2030 kanker krijgt met 75 procent zal toenemen. Wie krijgt er geen kanker? Ik kan het haar niet uitleggen. Als je zes bent is dat niet het belangrijkste in je leven en hoe kan ik haar duidelijk maken dat we ergens dood aan moeten gaan. Van de week hoorden we dat Ronald, het buurjongetje van mijn schoonmoeder, waar ze ooit in wat ze hardnekkig Batavia blijft noemen naast heeft gewoond, opgebeld had om het adres te vragen waar zijn rouwkaarten bezorgd moet worden. Omdat we toch in de buurt waren besloten we even langs te gaan. Een oplopende PSA, prostaatkanker die naar de botten is overgeslagen en de medicijnen helpen niet meer. Zijn leven is klaar en het enige waar hij zich nog mee bezig houdt is een mooie begrafenis. Hij is zo moe dat hij īs morgens als hij wakker wordt teleurgesteld is dat het nog altijd niet afgelopen is. Hij eet niet veel meer en krijgt af en toe een glas water van zijn vriendin die hem trouw verzorgt. Min of meer toevallig komt het gesprek op de Boeloe gevangenis in Semarang. Hij werd in 1945 op straat opgepakt en samen met andere Indische jongens bij Japanse soldaten gevangen gezet. Drie dagen duurde de moordpartij door de Indonesische jongerengroepen. De geur werd onverdraaglijk omdat de lijken in de tropenhitte bleven liggen. "Daar heb ik net over geschreven," roept Marion verrast uit en in de kortste keren zijn ze in een geanimeerd gesprek verzeild geraakt. Ze lachen samen. "Dit vindt hij leuk," zegt zijn vriendin. "Over vroeger praten." "Is er iemand die je als je overleden bent nog nodig zal hebben?" vraagt Marion. "Nee, niemand," glimlacht hij. "Misschien mijn kleindochter. Ze zit op de middelbare school en ik ben haar grootste bewonderaar." Mijn kleindochters spelen nu prins en prinses en ik hoor Helena aan Katelijne vragen "Wilt u met me trouwen?" Mijn jongste kleindochter reageert enthousiast. Dat lijkt haar wel wat en ze laat zich boven op haar oudere zusje vallen. Die moet vreselijk lachen. "Nu zijn we lesbies," proest ze het uit. Katelijne doet vrolijk mee "We zijn lespies." Met zijn vieren lopen we in optocht en zingend door het huis. "Wij zijn lesbies, wij zijn lespies. Lang leven de koningin." We schreeuwen woorden die geen betekenis hebben, maar vervoermiddelen zijn voor ons nooit eindigend sprookje. "Ik wil niet verbrand, maar in de grond," zegt Helena stellig. Terug |