| Week 25-2012 Wij moesten snel fietsen om op tijd te zijn voor de lezing die ik beloofd had te geven, maar de zon scheen die dag en we konden alles. Het was alsof we weer veertig waren. Met stevige beenbewegingen kwamen we dichter bij Utrecht. Een paar weken geleden, toen ik gebeld werd om de lezing te geven had ik reserves gehad. Het viel precies op de dag die ik zoveel mogelijk in ere hou omdat Marion en ik die vieren vanwege het feit dat we op die datum in de trein naar Spanje stapten om er een studentenhotel te gaan beheren. Dat had nog heel goed mis kunnen gaan, want in de vier uur tijd die we hadden voor het overstappen van Gare du Nord naar Gare Lyon probeerde ik haar Parijs te laten zien, iets dat onmogelijk bleek. Als we de trein gemist hadden, zouden we dan wel ooit in Peniscola in Spanje zijn gekomen en waren we dan nog bij elkaar? De zitplaatsen waren allemaal bezet en we sliepen de eerste nacht van ons gezamenlijk leven op onze bagage in het gangpad. Op die 14de juni wilde ik daarom geen lezing geven, maar mij werd verzekerd dat ik daar als arts met kanker de juiste persoon voor was en het bleek bovendien voor mijn eigen collega´s bedoeld te zijn. Het was een symposium voor artsen die veel met kankerpatiënten te maken hebben. "Even met mijn vrouw overleggen," zei ik. Omdat de honoraria voor het geven van lezingen de afgelopen jaren een van de pijlers onder mijn inkomen zijn geworden vond Marion dat ik het gewoon moest doen. Dus stemde ik toe, maar ontdekte later weer dat men voor zulke bijeenkomsten nooit betaalt. Men ging ervan uit dat men collega´s voor een lezing niet hoeft te belonen. Ik vraag me af of ze op die manier ook dachten over het gratis geven van consulten, maar ik wilde niet kinderachtig zijn en ging akkoord op voorwaarde dat het aan het begin van het programma zou zijn zodat ik nog iets leuks met Marion zou kunnen doen. Het thema was ´Geef nooit op?` en de vraagteken achter de drie woorden zette de toon. Moet je tot het bittere einde doorgaan een mensen met kanker te behandelen? Zelf denk ik dat het geen vraag voor artsen is, maar dat mensen met kanker dat zelf behoren te bepalen. Uit onderzoek blijkt echter dat artsen veel te vaak ook als er geen zinnig argument meer valt te bedenken voor het geven van chemotherapie daar toch toe besluiten. Het interessante daarbij is dat ze denken dat de patiënten het zelf willen. Maar wat had ik er eigenlijk over te vertellen? Ik kan nu nog niet zeggen of ik als het puntje bij paaltje komt misschien toch nog zo graag bij Marion wil zijn - al is het brakend, kaal en slechts vier weken langer dan wanneer ik ervan af zou zien - dat ik het zou ondergaan. Een paar dagen voor de betreffende lezing ontving ik de reader die erbij hoorde en daarin zat het programma. Ik bleek echter niet vroeg in de middag te moeten spreken zoals ik gedacht had, maar vroeg in de avond - om kwart voor zeven. Om vijf over zeven kon ik dan al weer naar huis, maar ik overlegde opnieuw met Marion. "Zal ik toch maar afzeggen?" vroeg ik haar. Ze stelde echter voor om samen te gaan en zo kwam het dat we op onze fiets op weg waren naar het gebouw waar het symposium plaats vond. Precies op tijd was ik aanwezig, groette wat vriendelijke mensen die ik half ken, kreeg een microfoon met zendertje en stapte het podium op. Op dat moment besefte ik dat ik niet had moeten gaan. Bij andere gelegenheden kon ik er zo gemakkelijk over praten, maar nu keek in eens in de spiegel en vroeg me af wat ik zou moeten vertellen. Als ik telkens als ervaringsdeskundige mensen toe moet spreken over prostaatkanker word ik op den duur een kankerclown. Links in beeld zag ik de tijdsweergave de seconden aftellen. Twintig minuten, dat moest vol te houden zijn. Met wat grapjes die ik bij zulke lezingen maak hield ik me overeind en presenteerde wat anekdotische ervaringen als prostaatkankerpatiënt van de afgelopen tien jaar. Ik weet wel dat het werkt, maar het was geroutineerd en zonder ziel. Ik slaagde er niet in om iets wezenlijks van mezelf te geven en bleef steken in een schil van verhaaltjes. Marion zat achterin de zaal en ik vermeed het naar haar te kijken, wilde haar ogen niet zien. Later hielp ze me te analyseren: onsamenhangend en dertig keer het woord onzekerheid, dat is 29 keer te veel. Langzaam maar zeker word ik een cliché. Om eerlijk te zijn heb ik het zelfs wel eens moeilijk om elke week een blog te produceren, want wat er is zo bijzonder aan prostaatkanker? Niets. Als je het hebt ben je niet zielig en als je er flink over doet geen held. Op dat podium zag ik in dat ik ver van mezelf verwijderd ben geraakt. Nog 19 seconden gaf de tijdsaanduiding aan. Het licht knipperde. "En nu ga ik met mijn vrouw uit eten," zei ik, stapte van het podium af, gaf mijn microfoon aan de geluidsman en liep naar mijn fiets toe. Vrij: geen patiënt meer, en zeker geen arts die patiënt is en voor een fles wijn en een cadeaubon over zijn kanker moet praten voor artsen die zich afvragen wat deze plotseling gekomen en ineens verdwenen nog transpirerende man in hoog tempo had proberen te vertellen. Terug |