| Week 31-2012 Op televisie had mijn moeder het nieuws gezien over de moordpartij tijdens de voorstelling van de Batmanfilm in Denver. Ze was overvallen door angst. De dood kan je overal vinden. Ze wilde niet in haar flat blijven en was bang dat hij haar daar gemakkelijk zou vinden. Het was stil op straat, iedereen was op vakantie en ze voelde zich alleen. Dat was ze haar leven lang niet geweest. Ze was 57 toen mijn vader overleed en alleen kwam te staan, maar ze ontpopte zich als een bekwaam overlever, werd lid van allerlei verengingen, volgde allerlei cursussen, ging verschillende keren per week bridgen en wierp zich op liefdadigheidswerk. Haar sociale vaardigheden hielpen haar om nieuwe netwerken te ontwikkelen en mijn moeder ontdekte dat de toekomst ligt in een verbond met andere vrouwen die hun man kwijt waren. Als weduwe word je namelijk nog een keer uitgenodigd bij de paren waar je vroeger mee omging, maar ze kunnen niet wennen aan een vrouw alleen. Met haar man was ze welkom geweest, maar in haar eentje was het anders geworden. In korte tijd had ze verschillende vriendinnen, net als zij waren ze alleen komen te staan of alleen gelaten. Ze maakte met hen twee tot drie keer per jaar een reisje naar goedkope bestemmingen in perioden dat niemand anders op vakantie wilde gaan. "Altijd met z´n tweeën of vieren," zei ze, "anders hangt er steeds eentje bij en krijg je gedoe." Het leek of mijn moeder na het overlijden van mijn vader opbloeide en de kans kreeg haar behulpzaamheid in te zetten. Met name toen ze wat ouder werd en haar vriendinnen lichamelijk achteruit gingen. De een liep niet goed meer en had wat steun nodig bij een regelmatig wandelingetje, de ander verloor door de suiker haar benen en moest vaak bezocht worden en een derde vergat alles en die moest ze helpen te onthouden. Voor de bazaar van de kerk breide ze pannenlappen en bedspreien en in december hielp ze kerststukjes maken voor de zieke en eenzame geloofsgenoten. De vriendinnen overleden een voor een. Omdat ze zelf niet meer wist wat ze bij bridgen geboden had haalde de mensen van de bridgeclub haar niet meer op om mee te nemen naar de middagen in het wijkcentrum en de kerk fuseerde waardoor de plaats van samenkomst ver uit haar buurt kwam te liggen. Het idee dat ze mensen moet helpen is ze echter niet kwijt geraakt. Mijn broer gaf haar op voor bezigheidstherapie toen de dagen te lang werden. Twee dagen per week gaat ze daar naar toe en zit daar samen met vijf andere dames en twee heren te praten over van alles en nog wat. Aanvankelijk wilde ze niet en als ik haar belde vertelde ze er niets over, maar toen men haar een keer gevraagd had de theekopjes af te wassen veranderde dat. "Ze hebben me gevraagd te helpen bij een groepje," zegt ze en daarom is het ineens logisch dat ze daar tegenwoordig naartoe gaat. Alles leek weer even opgelost. Nu belt mijn broer echter om te vertellen dat haar angstaanvallen erger worden en ze steeds vaker zegt dat ze zo alleen is. Haar geheugen gaat ook snel achteruit. Hij vraagt of ik bij mijn moeder op bezoek kan gaan en ik krijg het gevoel dat het mijn laatste kans is. Als ik dat niet doe heb ik mijn eerstgeborenerecht voor goed verloren. Stel je voor dat ze me niet meer herkent. Via de telefoon is het geen probleem. Als ik "met Ivan" roep - altijd bang dat ze haar hoortoestel niet in heeft - zegt ze onmiddellijk "Dag Ief, hoe gaat het met je jongen? Je had toch iets." Het woord kanker gebruiken we al tijden niet meer. Overbodig woord. Ik antwoord dan met "onder controle" en dan zegt ze "O gelukkig". Wat zal er gebeuren als ik in levende lijve voor haar sta? Tegen mijn broer zegt ze wel eens als hij haar voorstelt samen ergens een kopje koffie te gaan drinken "Dat moet ik wel even aan mijn zoon vragen". "Ik ben je zoon," zegt hij dan. Ik vrees dus het ergste. Gelukkig weet ze wie ik ben, vraagt een paar keer hoe het met Marion is, of die al vordert met haar nieuwe boek, hoe oud mijn kleindochters nu zijn en of mijn schoonmoeder niet deze maand jarig is. "Morgen," zeg ik. "Ik moet niet vergeten haar te bellen," antwoordt ze. In ons gesprek passeren de onderwerpen telkens weer alsof ze voor het eerst haar vragen stelt. Het oude raamwerk is er nog, maar nieuwe dingen passen er niet meer zo goed in. De verbindingen tussen de hersencellen doen het niet goed meer. Ik zie haar uit elkaar vallend zenuwstelsel, dat ouder wordt, niet meer gevoed en onderhouden wordt door het maatschappelijk netwerk dat verdwenen is waardoor de wereld rondom haar anders wordt. Minder vragen aan haar gesteld, minde glimlachen en heel haar radarwerk komt stil te staan. Haar herinneringen worden niet langer gevoed en weer opgeroepen door vertrouwde contacten en rituelen, waardoor ze verdampen en haar wereld steeds kleiner wordt. Geleidelijk blijft ze vaker alleen met zichzelf en met wat ze nog weet van toen ze werd wie ze was, een kind, een jonge vrouw. Ze voelt de dood om de hoek. "Ach Ief, ik kan nu zo maar elk moment wegglijden," zegt ze een paar keer. "Ja mam, antwoord ik. "Maar zo lang we er nog zijn moeten we maar genieten van het feestje." Ze lacht, maar weet dat eenzaamheid een broer is van de dood. Die helpt om los te laten. Terug |