| Week 32-2012 De vrouwen die bij de wasserette zaten bespraken de verschillende bewoners van de huizen in de straat. Die jonge kerel die pas verhuisd was, die was prima. Hij bracht de boodschappen voor een van de dames naar boven, maar de Italiaan naast die haalde op mooie dagen de ramen uit de kozijnen en ging er dan naakt in de zon zitten. Nee, dat vonden ze niets. Iedereen passeerde en werd met hun gebruikelijke humor beoordeeld. De buurt was erg veranderd en het werd natuurlijk nooit meer zoals toen tante Bep nog leefde. Die moest wel haar huis uit, want die ging zo achteruit. Het gesprek kwam op alle vriendinnen hier in de Jordaan die naar een tehuis verdwenen of inmiddels overleden waren. “Mijn zuster, ach,” verzuchtte een van de vrouwen. Het moest wel heel erg zijn gegaan met die zus want ze vervolgde. “Ik heb gezegd dat als het met mij ook zo gaat dan heb je hier het kussen en dan leg je het op mijn hoofd en je gaat erop zitten.” “Maar u ziet er nog goed uit,” zei een van de dames tegen mij. De K staat op mijn voorhoofd gebrand en ik ben blijkbaar ten dode opgeschreven, maar je ziet het gelukkig niet. Bij Hamid, mijn kapper, liet ik mijn haar fatsoeneren. Op het visitekaartje van Hamid staat dat hij je er jonger uit kan laten zien dan je bent. Dat heb ik nodig. Bovendien is hij de aardigste kapper ter wereld. Toen ik hem het afgelopen najaar vertelde over de uitzaaiing in mijn heup gaf hij me een pot gel voor mijn haar om me te troosten. Daarom wil ik nooit meer naar een andere kapper toe. Hij heeft ook verteld dat hij eens een klant had die vanuit het ziekenhuis belde om te vragen of hij hem daar ook zou kunnen knippen en hij is er toen meteen naartoe gegaan. In de kleine kapperswinkel aan de Prinsengracht stond de televisie aan en daarop passeerde een eindeloze reeks aan judowedstrijden die werd afgewisseld met gesprekken die nergens over gingen. Een Nederlandse judoka ‘die voor goud ging, maar met brons genoegen moest nemen’ werd na zijn wedstrijd geinterviewd. Vier jaar lang had hij getraind en toen kwamen de blessures. “O nee laat me gewoon heel blijven,” zei hij. “Laat me alsjeblieft gewoon mijn ding doen.” En toen hij die wedstrijd verloor, waardoor hij wist dat hij goud niet meer zou halen, wilde hij zijn tas pakken en naar huis gaan. Vier jaar had hij ernaar toe geleefd en dan gebeurt dat. Maar hij had zich herpakt en toch de kracht gevonden om door te gaan voor in elk geval de derde plaats. De televisiemedewerkers die de tijd tussen de wedstrijden moesten vullen met praatjes over niets raakten niet uitgesproken over de geweldige mentaliteit van de judoka. Daarmee bewees hij een echte topsporter te zijn. Ondanks alle tegenslagen en ongemakken toch doorzetten. Plotseling besefte ik dat iedereen met kanker, die telkens weer naar dat ziekenhuis moet voor het afnemen van bloed, het maken van foto’s om dan later te horen wat de uitkomsten ervan zijn ook zo op de Olympische Spelen past. Want dat is me wel duidelijk: kanker is topsport. Als je een keer naar de mat gaat, dan is het nog niet afgelopen. Blessures die horen erbij. En na Londen is het leven echt niet voorbij. Je moet gewoon weer gaan trainen voor de vele wedstrijden die nog zullen komen. Zolang de scheidsrechter niet tot tien heeft geteld is het grote toernooi nog niet voorbij. Blij omdat ik even met mijn vriend Hamid had gesproken en trots omdat ik nog in het toernooi zit liep ik terug naar de wasserette om mijn wasgoed op te halen. De dames waren daar nog lang niet uitgepraat. Terug |