| Week 39-2012 "Het zit hier," zegt ze en brengt haar hand ter hoogte van haar hart. Het is een gebaar, alsof ze een ziek vogeltje dat niet kan vliegen tegen haar boezem drukt. Ze is klein van stuk en haar witte jas lijkt wat te groot. Ik bespeur een Oost-Europees accent. "Heeft u daar nooit pijn?" vraagt ze. Voor ik naar het ziekenhuis vertrok had ik me niet kunnen concentreren. Al een tijd lang heb ik geen energie meer om langdurig aan iets te werken. Even vlug een interessant wetenschappelijk artikel lezen om er daarna iets over te twitteren. Dat is net wat me lukt. Of een mooie foto uit mijn archief zoeken om er even naar te kijken. Ik was er ruim op tijd en verschanste me met een boek in de wachtkamer. Drie vrouwen met hoofddoekjes spraken met gedempte stemmen in een taal die ik niet verstond. Een oudere dame las aandachtig een tijdschrift. Twee studenten kwamen koffie halen uit de automaat en verstoorden de relatieve rust van kankerpatiënten die geduldig wachten om op hun beurt in de scanmachine te mogen. Ze spraken luid alsof iedereen in hun belevenissen en meningen geïnteresseerd was en mee moest luisteren. "Ik ben helemaal nog niet toe aan tentamen doen," zei de een. "Ik snap niet waarom dat niet een paar weken later is," zei de ander. Ik moest denken aan het onderzoek dat ik pas las en waaruit zou blijken dat invoelende artsen niet alleen een stuk vriendelijker zijn, maar ook technisch beter. Wie van die twee jongens had de meeste empathie? Geen idee, misschien leren ze dat nog, maar ik heb ook gelezen dat met name vrouwen een groot talent voor empathie hebben. Terwijl ik even later met een infuus in de arm op een gemakkelijke stoel zit probeer ik de draad van mijn boek weer op te pakken. In afwachting van het radioactieve materiaal dat in mijn lichaam voor de illustraties van mijn vrolijke avonturenboek ´de olijke jongen en zijn prostaatkanker´ moet zorgen concentreer ik me zoveel mogelijk op de letters op het papier. Na de eerste sessie loop ik naar de machinekamer. Ik kan geen ander woord bedenken voor die ruimte waar het personeel zich stevig verschanst heeft tegen gevaarlijke straling en van waar de arme drenkeling aandachtig gevolgd wordt via monitoren en een groot raam. Ik had me voorgenomen om niet zoals de vorige keer naar huis te gaan zonder iets te weten en dan te wachten tot mijn uroloog me het kon vertellen. "Kan ik al wat zien?" vraag ik, alsof ik denk dat ze ondertussen al met een wapperende polaroidfoto in de handen klaar staan, wachtend tot er beeld verschijnt. Eén van de drie daar aanwezige vrouwen komt naar me toe, stelt zich voor, zegt dat ze de arts is en schudt mijn hand. "Dat kan pas na de volgende sessie," zegt ze en belooft het als ik die ook gehad heb nog even met me te bespreken. Ik mediteer me door de dertig minuten stil liggen heen en schrik als iemand me zegt dat ik van de tafel op kan staan. Vol verwachting kijk ik naar de arts. "Wacht maar even op de gang," zegt ze. "Ik moet eerst kijken of het goed is gelukt en dan kom ik bij u." Tien minuten later staat ze tegenover me en zegt: "Die oude plek in uw heup vertoont minder activiteit. Ik kan me het beeld van vorig jaar nog levendig herinneren, want ik herkende uw naam." Ik vind het grappig dat ze zich mijn scan herinnert, niet mijn gezicht. Voorzichtig zoekt ze woorden. Dan maakt ze die beweging met haar hand naar haart borst. "Ik zie laesies op de ribben," zegt ze. Dat klinkt aangenamer dan ´beschadigingen van de ribben´ en veel opgeruimder dan ´metastases´, laat staan ´uitzaaiingen´. "We moeten het nog goed nader bekijken, maar als het er minder dan vijf zijn, kunnen we het misschien nog bestralen. Dat is ook tegen de pijn." Ze loopt met me mee naar de uitgang en het lijkt of ze zoekt naar troostrijke opmerkingen. "Er is niets in de weke delen te zien," laat ze me weten. Kijk dat is leuk, want van de week sprak ik met iemand die vertelde dat zijn vader met prostaatkanker nu ook uitzaaiingen in de lever heeft. Dat kan ook nog. Weke delen, weke delen, zingt het in mijn hoofd. Wat een heerlijk woord is dat plotseling. "Het gaat gelukkig ook erg snel," zegt ze. "Er worden steeds meer hormonale middelen ontwikkeld die een gunstige rol kunnen spelen." "Je wilt iets vinden om te verklaren waar die stijgende PSA door wordt veroorzaakt, maar als je dan iets vindt is het meteen ook vervelend," merkt ze op. Als ze op de knop drukt die de deuren open doet zwaaien zegt ze nog: "Het spijt me toch zo." Zoveel empathie, dat ik nu bezorgd wordt om haar. "Je hoeft er geen van te spijt te hebben; je kunt er toch niets aan doen," zeg ik. Terug |