Week 41-2012
"Opa, heb je echt kanker?" vraagt mijn zevenjarige kleindochter Helena als we op het hockeyveld wachten tot haar training begint. Ze heeft het me al eens eerder gevraagd. Zou ze het niet kunnen geloven? Ikzelf in elk geval niet. Zonder PSAtjes en scannetjes zou ik me van geen kwaad bewust zijn.
"Ja," zeg ik. Omdat ik enige ongerustheid in haar stem heb gehoord voeg ik er aan toe: "Maar het gaat goed met me hoor. Ik krijg er medicijnen voor."
Ja, het gaat heel goed met Ivan Wolffers, maar niet zo goed met de indicatoren die de dokter hanteert om zijn ondergang in kaart te brengen. Aan iedereen die me vraagt hoe het gaat probeer ik dat duidelijk te maken. Kanker is niet het eind van de wereld hoor, misschien wel van de tijd dat je nog niet wist dat jezelf serieus een kans hebt om ooit van die wereld te verdwijnen.
Het is, denk ik, ook allemaal de schuld van het woord kanker, want zodra dat valt is de deksel van de doos van Pandora. De opstandige prostaatcellen vormen echter minder een probleem dan de buzz die eromheen komt. Een recent onderzoek liet zien dat kanker in films, romans en in televisieprogramma´s stelselmatig te dramatisch, te somber, clichématig en eenzijdig wordt neergezet. Vind je het dan gek dat iedereen - inclusief mijn kleindochter- begint te bibberen als een woord met een K begint.
De haaruitval door de chemo is het populairst om kanker in beeld te brengen. Niets gemakkelijker inmiddels en we snappen het onmiddellijk. Dat zegt Helena dan ook: "Maar je hebt helemaal geen kaal hoofd." Het maakt het voor mensen met kanker lastig om goed uit te leggen hoe het met ze gaat, want zij denken op den duur te moeten voldoen aan de verwachtingen. Als je er luchtig mee omgaat lijk je al snel naïef en in de ontkennende fase. We leven op een podium waar we samen het drama van het leven spelen. Kanker, dat is chemotherapie, pijn, lijden, dood gaan en huilende familieleden. Kom op, doe mee en hou je aan je rol. Maar ik heb nog helemaal geen zin in dat theaterstuk.
Het voelt als een complot tegen kankerlijers, maar ik weet ook wel dat er geen mastermind bestaat die dat heeft uitgedacht. Het ligt gewoon aan de zwaktes die inherent zijn aan de menselijke communicatie. We zijn afhankelijk van beelden die we delen, die niet verwarrend mogen zijn en die als logo´s met weinig middelen in één klap duidelijk moeten zijn. Ze worden na een paar keer gebruikt te zijn automatisch stereotypen. Hé, een rode auto met een ladder, dat is een brandweerauto. Hé een vrouw met een slecht zittende pruik op haar hoofd, dus borstkanker. Wat moet je bij mannen met prostaatkanker bedenken? Hé, oude man die naar pis ruikt? Dan liever toch maar dat kale hoofd.
Na de training bezoek ik met Helena een restaurant met gesteven linnen servetten en veel te grote borden. Wij moeten namelijk anderhalf uur samen doorbrengen voor ze naar zwemles kan. Wij laten papier, kleurpotlood en een portie poffertjes met twee vorkjes komen. Af en toe kijkt Helena naar me en ik besef dat de gedachte aan kanker nog niet uit haar hoofd verdwenen is.
In de meisjeskleedkamer van het zwembad voel me altijd wat ongemakkelijk. Meestal sta ik dan tussen de moeders. Die kennen me ondertussen een beetje en helpen als ik de spaghettibandjes van het bovenstuk van de bikini niet goed over Helena´s hoofd krijg, maar deze keer worden om een mij onbekende reden de meisjes door hun vaders begeleid. Die beschermen hun dochters natuurlijk als tijgers en ik weet niet of ik als duidelijke niet-vader best wel veilig ben.
Als de zwemles voorbij is en Helena bibberend op de bank staat, samen met zes andere meisjes van haar leeftijd stelt ze luid de vraag opnieuw: "Opa, heb je echt kanker?" Er valt een stilte en dan zeggen de blote bibberende meisjes alsof ze het samen ruim van te voren ingestudeerd hebben "Ach, wat zielig" en de vaders barsten in een spontane lach uit. Ik lach mee en ben blij dat ik op vrijdagen met mijn kleindochter samen op stap mag. Uiteindelijk gaat het in het leven om zwemles en niet om kanker.




Terug