| Week 47-2012 "Dat heeft nog nooit iemand voor me gedaan," zei Helena een half jaar geleden toen ik haar ophaalde van school. Zij fietste naar huis en ik rende naast haar. Ze keek geamuseerd opzij en ik lachte van binnen van mijn longen, naar mijn buik en door mijn benen heen tot in mijn voeten. Zal ik het geluk noemen? Onderzoekers hebben gekeken naar het verband tussen ziekte en geluk. Het blijkt heel simpel in elkaar te zitten. De mate waarin een ziekte je functioneren beïnvloedt is bepalend voor hoe gelukkig je je voelt. Als voorbeeld geven de onderzoekers prostaatkanker. Als je er geen symptomen door hebt voel je je veel gelukkiger dan de man zonder kanker problemen heeft zijn plas op te houden en daardoor gehinderd wordt in wat hij dagelijks wil doen. De enige manier waarop ik die rare kanker kan ontlopen is te blijven geloven dat ik nog goed functioneer en alles wat erop wijst dat het niet zo is negeren. Als dat helemaal niet meer mogelijk is in ieder geval bagatelliseren. Het is als een Don Quichote tegen windmolens vechten ook al weet je dondersgoed dat je op het einde toch zult verliezen. Er zijn dagen waarop dat wat moeizamer gaat, maar er komen ook altijd weer momenten dat ik me opricht. Deze week rende ik mijn rondje alsof ik nog dertig was. Het regende licht en dat zorgt voor veel zuurstof in de lucht. Van die zuurstof word je licht in je hoofd en overmoedig. Mijn schoen zaten onder de modder en mijn sokken werden nat. Het gaf niets. Er waren geen andere mensen in het bos en dat ik twee keer een sanitaire pauze in moest lassen had niemand door. Zelfs niet dat ik het niet helemaal op tijd had gered. De door bestraling beschadigde darmen hadden op mijn zwarte trainingsbroek duidelijke sporen nagelaten. Het kon me weinig deren. Een van de stappen in het trage sterven is dat het je steeds minder kan schelen wat mensen denken. Alleen wat je geliefden van je verwachten, dat blijft belangrijk. Als je je daar tenslotte ook los van maakt ben je dood. Marion die met me mee rende zei dat ik mijn broek echt schoon moest maken en met blad en gras deed ik dat zo goed mogelijk. Daarna deden mijn voeten hun werk weer. De pijn in mijn rechterlies diende zich aan, maar het gaf niet. Ik denk niet meer na over of het nu door de slijtage van de hardloopgewrichten komt of door de uitzaaiing. Darom rende ik verder. Voor het eerst in lange tijd rende ik weer mijn rondje van acht kilometer helemaal uit en ging niet tegen het einde gewoon lopen omdat ik iets in mijn knie of mijn kuit voel of simpel omdat ik het niet meer op kan brengen. Toen ik thuis door het hek kwam stak ik mijn handen omhoog alsof ik net over de finishlijn van een marathon kwam. Ik had mijn wedstrijd weer gewonnen en bewezen dat ik geen last heb van die kanker. Op vrijdag heb ik opadienst en mag ik de hele dag met Helena doorbrengen. Marion haalt dan haar kleine zus Katelijne op. Helena en ik gaan eerst ergens lunchen aan zee. We tekenen om de beurt iets dat in de ruimte te zien is en dan moet de ander raden wat het is en waar het staat. Daarna gaan we naar de hockeytraining, waar ik aandachtig kijk of ze al vorderingen maakt. Vervolgens drinken we thee in een tearoom, waar ze me vraagt of ik nog eens over de oorlog van mijn ouders, over de Romeinen of over mijn reizen naar verre landen wil vertellen. Tenslotte volgt de zwemles en na dat alles rijden we naar haar vader, waar ik Helena afzet. Als ik wel eens probeer te vertellen over de vrijdagen met mijn kleindochter hoor ik zeggen "Dat is wel heel leuk voor je kleindochter." Is dat zo? Ik denk dat het heel leuk voor haar grootvader is en daarvoor moet ik in training blijven. Altijd in staat om naast haar fiets mee te rennen. Om in conditie voor goede echtgenoot, vader en opa te blijven stel ik me elke dag opnieuw bij het wakker worden de vraag "Goedemorgen Ivan, ben je er klaar voor om te leven?" Terug |