| Week 49-2012 Mijn aandacht werd getrokken door een artikel getiteld “Wetenschappers discussiėren over waar de ziel heen gaat na de dood“. Het eerste wat in me opkwam was "Hu, wetenschappers?", maar ik herstelde me snel. Is het niet eigen aan de wetenschap dat je open bent voor alles en elke vraag durft te stellen? Als je al weet wat het antwoord op de onderzoeksvraag zal zijn, waarom zou je dan het onderzoek nog doen? Anderzijds zijn er in het verleden al heel wat vragen over de ziel gesteld en beantwoord. Menigeen was met het antwoord op de vraag 'Kan de ziel concreet in het lichaam van de mens aangewezen worden?' al tevreden. En daarmee lijkt de vraag waar de ziel dan heen gaat nadat iemand overleden is onzinnig te zijn geworden. In het artikel wordt beschreven hoe tijdens een bijeenkomst wetenschappers discussiėren over de relatie tussen kwantummechanica en de ziel en op dat moment haak ik af. Ik ben al blij dat ik begrijp wat met het eerste bedoeld wordt en het woord “ziel“ is een poging van beperkte mensen - zoals we allemaal zijn - een metafoor te hebben voor iets wat hij wel voelt, maar niet kan pakken. Het is een mooi woord voor de meest wezenlijke kenmerken van de mens, voor dat wat ik ben en wat me drijft. Toch bleef de vraag een paar dagen door mijn hoofd spelen. Ik weet al niet waar de ziel voor de dood zit, laat staan dat ik enig idee heb waar hij na mijn overlijden naartoe zou gaan. Sinds ik tien jaar geleden hoorde dat ik prostaatkanker heb, ben ik veel meer met de dood bezig geweest dan in de vierenvijftig jaar daarvoor. De jongen van mijn leeftijd uit de flat die onder een vrachtwagen kwam en overleed was het begin, maar dat kwam vooral door de huilende moeders die van slag waren omdat het ook hun kind had kunnen zijn. Ik moet zes of zeven jaar oud geweest zijn en een paar dagen later was het al weer uit mijn werkgeheugen verdwenen. Zonder dat incident zouden de eerste twaalf jaren van mijn leven zelfs geheel doodloos geweest zijn. Wij voetballende jongens die droomden ooit te zullen scoren voor het Nederlands elftal dachten er nooit over na. En zelfs als we met onze speelgoedrevolvers elkaar dood schoten stonden we er geen ogenblik bij stil. Op het moment dat ik in de eerste klas van het lyceum het vak wereldgeschiedenis kreeg begon het denken over de dood pas op gang te komen. Eeuwigheid, tijdelijkheid, voortleven. Vanaf dat moment is ook mijn eigen sterven begonnen. Het is een lang proces waarbij je steeds meer van de wereld rondom je los laat om verder te komen. De lagere school verdwijnt uit beeld. Al snel weet je de naam van de juf uit de tweede niet meer. Op den duur kun je je alleen nog het gebouw waar je dagelijks naartoe ging voor de geest halen en enkele gebeurtenissen die erin en erbuiten hebben plaats gevonden. De klasgenoten zijn echter grotendeels verdwenen. Mijn grootouders heb ik achter me gelaten en al snel ook mijn vader. Ik had hem graag langer bij me gehouden, maar dat was onmogelijk. Ik wist wie hij was en wat hij zou zeggen, waarom hij moest lachen en wat hem ergerde. Hij bleef daardoor gewoon bij me. Zijn geest dus; dat wat hij typisch was. Kisten gaan de grond of de oven in en ik kom steeds meer op mezelf te staan, word wie ik ben - moest worden. Ik word lichter, als een ballon die los van de aarde komt. De kanker kwam. Het was maar een woord dat ik moest leren te gebruiken, moest doorgronden. Van de eerste schok wist ik me te herstellen en ik klampte me vast aan het leven, aan mijn geliefden, maar telkens werd ik herinnerd aan mijn sterfelijkheid. De bijverschijnselen van de behandelingen waren vervelend omdat ze mijn trots ondermijnden. Ik moest meer loslaten dan ik wilde en onverschillig worden voor wat mensen van me denken. Ik hoefde niets meer op te houden, niet meer te doen of ik beter was dan ik werkelijk ben. Alleen wat mijn allerdierbaarsten van me vinden kan me nog iets schelen en daarom ben ik er nog. Als dat ook niet meer belangrijk is heb ik alles losgelaten en ga ik als een ballon de lucht in en verdwijn. Dat is nou precies wat er met de ziel gebeurt als je dood gaat: hij verdwijnt gewoon. Mijn ziel is dan alleen nog te vinden in alles waar ik gedurende mijn leven “ziel en zaligheid“ in heb gestopt. In de boeken die ik met liefde schreef, in de foto“s die ik maakte omdat ik dacht dat de schoonheid van de wereld niet mag verdwijnen, in de mensen die ik aangeraakt heb, waarmee ik lachte om niets en huilde om alles. Daar zit mijn ziel, maar je kunt hem niet wegen en wetenschappers die denken dat weten meten is zullen hem nooit vinden. Terug |